EXJW WorldKennisbibliotheek

Kennisbibliotheek › 📖 A-Z Begrippenlijst Jehovah's Getuigen

W - Werelds

Wat betekent ‘werelds’ binnen Jehovah’s Getuigen — en wat doet die tegenstelling met je denken en geweten?

Herkenbare vragen Wat bedoelen Jehovah’s Getuigen met ‘de wereld’? Wie zijn ‘wereldse mensen’? Waarom wordt Satan de heerser van deze wereld genoemd? Wat doet het met een kind wanneer het hoort dat de Duivel als een brullende leeuw op zoek is naar iemand om te verslinden? Waarom kun je je schuldig voelen als je iets ‘werelds’ eigenlijk heel leuk vindt? Wie bepaalt of muziek, kleding, haar, sieraden of entertainment werelds zijn? Waarom kan iets in de ene gemeente worden geaccepteerd en in een andere worden afgekeurd? Hoe vrij is een persoonlijke keuze wanneer je weet dat anderen die keuze als werelds kunnen zien? En waarom kan dat gevoel blijven bestaan wanneer je later geen Jehovah’s Getuige meer bent? ‘De waarheid’ en ‘de wereld’ Binnen het taalgebruik van Jehovah’s Getuigen bestaat een opvallende tegenstelling. Aan de ene kant is er ‘de waarheid’ , aan de andere kant ‘de wereld’ . Iemand kan in de waarheid zijn. Iemand die geen Jehovah’s Getuige is kan in het dagelijkse taalgebruik werelds worden genoemd. Er wordt gesproken over wereldse vrienden, wereldse muziek, een wereldse uitstraling of werelds gedrag. Voor iemand die niet als Jehovah’s Getuige is opgegroeid kunnen zulke uitdrukkingen vreemd klinken. Binnen de gemeente begrijpt vrijwel iedereen onmiddellijk wat ermee wordt bedoeld. De woorden maken tegelijkertijd een grens zichtbaar: binnen en buiten, geestelijk en werelds, Jehovah’s normen en de normen van de wereld. Wat betekent ‘de wereld’ in de Bijbel? De Bijbel gebruikt het woord wereld niet altijd op dezelfde manier. Soms wordt de mensheid bedoeld. Johannes 3:16 zegt bijvoorbeeld dat God zoveel van de wereld hield dat hij zijn Zoon gaf. Op andere plaatsen krijgt de wereld een negatieve religieuze betekenis. Volgens 1 Johannes 5:19 ligt ‘de hele wereld in de macht van de goddeloze’ . Jakobus 4:4 zegt dat ‘vriendschap met de wereld vijandschap met God’ is. Jehovah’s Getuigen leren daarom dat christenen wel tussen andere mensen leven en hen liefhebben, maar geen deel van de wereld moeten worden. Daarbij wordt met ‘de wereld’ niet eenvoudig ieder individueel mens buiten de gemeente als slecht beschouwd. Het gaat binnen de leer om een menselijk stelsel dat van God vervreemd is en onder invloed van Satan staat. Voor een kind kan dat onderscheid echter ingewikkelder zijn. Satan en de wereld Binnen de leer van Jehovah’s Getuigen is Satan een werkelijk bestaand geestelijk wezen. Hij wordt in de Bijbel onder andere aangeduid als ‘de heerser van deze wereld’ en ‘de god van deze wereld’ . Een van de sterkste beelden staat in 1 Petrus 5:8: ‘Jullie tegenstander, de Duivel, loopt rond als een brullende leeuw, op zoek om iemand te verslinden.’ Voor een volwassen gelovige is duidelijk dat verslinden hier beeldspraak is voor geestelijk gevaar. Een jong kind kan zulke beelden veel concreter beleven. Een brullende leeuw is iets om bang voor te zijn. Verslonden worden roept beelden op van gevaar, pijn en vernietiging. Wanneer een kind daarnaast leert dat Satan invloed heeft op de wereld buiten de gemeente, kunnen werelds en gevaar emotioneel met elkaar verbonden raken. Niet ieder kind ervaart dat op dezelfde manier. Het ene kind haalt zijn schouders erover op, terwijl een ander er sterk door wordt geraakt. Maar diezelfde wereld kan heel aantrekkelijk zijn Daar ontstaat voor sommige kinderen een bijzondere spanning. Want buiten de gemeente bevindt zich niet alleen een abstracte ‘wereld’. Daar zit ook dat aardige meisje uit de klas. Daar is muziek waar je blij van wordt. Een verjaardag waarvoor iedereen wordt uitgenodigd. Een film die spannend lijkt. Mode die je mooi vindt. Een sportvereniging waar je graag naartoe zou willen. Later misschien iemand op wie je verliefd wordt. En die mensen blijken helemaal niet allemaal slecht te zijn. Ze kunnen vriendelijk, eerlijk, behulpzaam en liefdevol zijn. Een kind kan daardoor tegelijkertijd leren: ‘De wereld is geestelijk gevaarlijk.’ en ervaren: ‘Maar ik vind heel veel dingen en mensen uit die wereld leuk.’ ‘Waarom vind ik dit dan leuk?’ Dan kan er iets met het geweten gebeuren. Een kind denkt niet meer alleen: ‘Ik vind dit liedje mooi.’ Er kan onmiddellijk een tweede gedachte achteraan komen: ‘Maar is dit niet werelds?’ Of: ‘Wat vindt Jehovah ervan dat ik dit leuk vind?’ Daarmee krijgt een gewone voorkeur ineens een morele betekenis. Je beoordeelt niet alleen wat je doet , maar soms zelfs wat je leuk vindt . Voor sommige kinderen en volwassenen kan daar schuldgevoel uit ontstaan: Als ik dit leuk vind terwijl het werelds is, zegt dat dan iets over mij? Ben ik nog wel geestelijk? Houd ik wel genoeg van Jehovah? Een schuldgevoel bewijst niet automatisch dat je iets verkeerd doet Dat onderscheid is belangrijk. Ons geweten ontstaat niet in een vacuüm. Het wordt mede gevormd door onze ouders, cultuur, religie, ervaringen en reacties van mensen die belangrijk voor ons zijn. Daardoor kan iemand zich oprecht schuldig voelen over iets wat een ander volkomen normaal vindt. Het schuldgevoel is dan echt. Maar: ‘Ik voel me schuldig’ betekent niet automatisch: ‘Dus wat ik doe is verkeerd.’ Andersom geldt hetzelfde. Geen schuld voelen bewijst ook niet automatisch dat iets goed is. Een gevoel vertelt je dat er iets in jou geraakt wordt. Daarna kun je onderzoeken waarom . Wie bepaalt eigenlijk wat ‘werelds’ is? Bij sommige onderwerpen zijn de grenzen binnen Jehovah’s Getuigen duidelijk. Bij andere dagelijkse keuzes ligt dat veel ingewikkelder. Er staat bijvoorbeeld geen Bijbeltekst die zegt hoeveel gaatjes een vrouw in haar oren mag hebben. Er bestaat geen vers waarin staat welke haarstijl werelds is of welk muziekgenre een christen wel of niet mag beluisteren. Dan worden bredere Bijbelse beginselen toegepast. Er kan worden gekeken naar bescheidenheid, reputatie, plaatselijke cultuur, associaties en de vraag of iemand zich te veel aan de wereld aanpast. En daar ontstaat ruimte voor menselijke interpretatie. Twee gaatjes in je oren Dat kan zichtbaar worden bij iets kleins als oorbellen. In een bepaalde gemeente kan bijvoorbeeld worden gevonden dat meerdere gaatjes in een oor een te wereldse uitstraling geven. In een andere gemeente, streek of generatie kan vrijwel niemand daar moeite mee hebben. De Bijbel is ondertussen niet veranderd. Wat veranderd is, is de culturele betekenis die mensen aan het uiterlijk geven . Dat maakt een belangrijke vraag mogelijk: Als iets in de ene gemeente werelds wordt gevonden en in een andere gemeente wordt geaccepteerd, welk gedeelte komt dan rechtstreeks uit de Bijbel en welk gedeelte uit cultuur en menselijke interpretatie? ‘Werelds’ verandert met de omgeving Mode en cultuur veranderen voortdurend. Een uiterlijk dat ooit rebels of opvallend werd gevonden, kan twintig jaar later heel gewoon zijn. Ook tussen regio’s kunnen verschillen bestaan. Wat in een behoudende omgeving onmiddellijk opvalt, kan ergens anders nauwelijks worden opgemerkt. Daardoor kan ook de praktische grens tussen gepast en werelds verschuiven zonder dat er een Bijbeltekst is veranderd. Dat betekent niet dat Jehovah’s Getuigen daarom geen normen zouden kunnen hebben. Het betekent wel dat het nuttig is onderscheid te maken tussen een expliciete Bijbelse regel en een menselijke toepassing van een Bijbels beginsel . En tatoeages dan? Leviticus 19:28 bevat voor het oude Israël een verbod op tatoeagemerken. Volgens Jehovah’s Getuigen staan christenen echter niet onder de wet van Mozes. Daarom is de uitspraak ‘de Bijbel verbiedt iedere christen rechtstreeks een tatoeage’ te eenvoudig. Wel kunnen Bijbelse beginselen worden toegepast op de keuze voor een tatoeage. Daarbij kunnen de afbeelding, motivatie, plaatselijke cultuur en de manier waarop anderen een tatoeage bekijken een rol spelen. Ook hier is de vraag dus relevant: Staat mijn concrete keuze letterlijk in de Bijbel, of wordt een Bijbels beginsel op mijn keuze toegepast? Wereldse muziek, werelds haar, wereldse kleding Hetzelfde gebeurt met uitdrukkingen als wereldse muziek, wereldse kleding, wereldse vrienden, wereldse taal, werelds haar of een wereldse mentaliteit . Soms is duidelijk wat iemand ermee bedoelt. Bij muziek kan bijvoorbeeld worden gekeken naar geweld, seksualiteit, drugs, occultisme of een andere boodschap die iemand strijdig vindt met zijn christelijke waarden. Maar alleen het woord werelds vertelt nog niet waarom iets verkeerd zou zijn. Daarom kan een eenvoudige vervolgvraag veel duidelijk maken: ‘Wat is er precies werelds aan?’ Is het de inhoud? Het uiterlijk? De associatie? De plaatselijke cultuur? Een Bijbels beginsel? Of vooral het feit dat iets populair is buiten de gemeente? ‘Werelds’ als framewoord Daarom kun je werelds ook bekijken als een framewoord . Een framewoord beschrijft niet alleen iets, maar plaatst het tegelijkertijd in een bepaald interpretatiekader. Wanneer iemand zegt: ‘Dat is een populair kapsel’ , weet je nog niet of de spreker het mooi of lelijk vindt. Wanneer iemand binnen een religieuze omgeving zegt: ‘Dat is wel erg werelds’ , krijgt dezelfde keuze onmiddellijk een morele of geestelijke lading. Het woord kan daardoor al een oordeel oproepen voordat precies is besproken wat er eigenlijk verkeerd aan is . Dat betekent niet dat degene die het gebruikt bewust probeert iemand te beïnvloeden. Het kan simpelweg de taal zijn waarmee iemand zelf heeft geleerd naar zulke keuzes te kijken. ‘Wereldse mensen’ Bij mensen wordt het nog gevoeliger. Een klasgenoot, collega, buurman of familielid kan in het dagelijkse taalgebruik worden aangeduid als werelds omdat hij geen Jehovah’s Getuige is. Maar werelds vertelt niets over zijn karakter. Iemand buiten de gemeente kan eerlijk, trouw, liefdevol en behulpzaam zijn. Een Jehovah’s Getuige kan dat vanzelfsprekend ook zien en waarderen. Daarom is het belangrijk onderscheid te maken tussen een religieuze categorie en een oordeel over de kwaliteit van een mens . Voor kinderen is dat onderscheid misschien nog belangrijker. Een kind kan anders gemakkelijk gaan denken: ‘Als wij de waarheid hebben en zij van de wereld zijn, zijn wij dan betere mensen?’ Terwijl dat niet noodzakelijk is wat ouders of de organisatie ermee bedoelen. Hoe vrij is een persoonlijke keuze? Jehovah’s Getuigen spreken veel over het persoonlijke geweten. Bij allerlei onderwerpen moet een christen uiteindelijk zelf een beslissing nemen. Maar een beslissing wordt nooit helemaal los van de omgeving genomen. Stel dat niemand je letterlijk verbiedt een bepaalde haarstijl te nemen. Je weet alleen dat ouderlingen of andere gemeenteleden die stijl waarschijnlijk werelds zullen vinden. Misschien verwacht je dat mensen je minder geestelijk zullen vinden. Misschien krijg je raad. Misschien vraag je je af of bepaalde verantwoordelijkheden in de gemeente daardoor moeilijker worden. Formeel kun je nog steeds kiezen. Maar psychologisch heeft de keuze inmiddels een prijs gekregen. Daarom bestaat er verschil tussen formele keuzevrijheid en ervaren keuzevrijheid . Wie word je door de keuzes die je maakt? Daar raakt het begrip werelds aan identiteit. Wie je bent wordt voor een deel zichtbaar in de keuzes die je maakt: welke muziek je mooi vindt, welke kleding je draagt, met wie je omgaat, hoe je je haar draagt, waar je naartoe gaat en welke waarden je belangrijk vindt. Maar niemand maakt die keuzes volledig zonder invloed van anderen. Ook buiten een religieuze gemeenschap worden mensen beïnvloed door ouders, vrienden, sociale media, cultuur en mode. Volledig onbeïnvloed ‘jezelf zijn’ bestaat waarschijnlijk niet. Een interessantere vraag is: ‘Begrijp ik waardoor mijn keuzes worden beïnvloed, en krijg ik voldoende ruimte om vervolgens zelf te bepalen wat werkelijk bij mij past?’ Als je iets werelds eigenlijk wél leuk vindt Voor iemand die als Jehovah’s Getuige opgroeit kan daar een innerlijk conflict ontstaan. Je vindt bepaalde muziek mooi, maar voelt je er schuldig over. Je wilt ergens naartoe, maar hoort in je hoofd dat het werelds is. Je vindt een bepaalde stijl prachtig, maar durft hem niet te dragen. Dan kun je uiteindelijk niet alleen je gedrag gaan controleren, maar ook je verlangens: Waarom wil ik dit? Wat zegt dit over mijn geestelijkheid? Zou Jehovah teleurgesteld in mij zijn? Als zulke gedachten jarenlang worden herhaald, kan de beoordeling steeds meer van binnenuit komen. Als niemand meer ‘werelds’ hoeft te zeggen In de psychologie wordt gesproken over internalisering wanneer normen uit je omgeving onderdeel worden van je eigen denken en zelfsturing. Dat is een normaal onderdeel van opgroeien. We hoeven als volwassenen niet iedere ochtend van onze ouders te horen dat we niet moeten liegen of stelen. Veel normen zijn onderdeel van onszelf geworden. Hetzelfde kan met religieuze normen gebeuren. Op een gegeven moment hoeft niemand meer te zeggen: ‘Dat is werelds.’ Je zegt het in gedachten tegen jezelf. Dat kan positief zijn wanneer het waarden betreft waar je zelf volledig achter staat. Het wordt ingewikkelder wanneer je overtuiging later verandert, maar de oude emotionele reactie blijft bestaan. Je bent eruit — maar het gevoel is er nog Dat komt bij sommige voormalige Jehovah’s Getuigen voor. Verstandelijk kun je inmiddels denken: ‘Ik geloof niet meer dat hier iets verkeerd aan is.’ En toch voel je spanning, schaamte of schuld wanneer je het doet. Dat kan verwarrend zijn: ‘Waarom voelt dit nog verkeerd als ik helemaal niet meer geloof dat het verkeerd is?’ Omdat gedachten soms sneller veranderen dan aangeleerde emotionele reacties. Wanneer iets jarenlang gekoppeld is geweest aan Jehovah, Satan, de wereld, goed en kwaad, goedkeuring en je identiteit , kan die emotionele verbinding niet altijd verdwijnen op het moment dat je overtuiging verandert. Hoe krijg je dat uit je systeem? Niet door jezelf te dwingen ineens alles leuk te vinden wat vroeger niet mocht. Het kan helpen drie dingen uit elkaar te halen: Wat voel ik? Ik voel schuld wanneer ik dit doe. Wat heb ik vroeger geleerd? Ik heb geleerd dat dit werelds was en Jehovah het niet goed zou vinden. Wat vind ik er nu zelf van? Vind ik dit volgens mijn huidige waarden werkelijk verkeerd? Waarom wel of niet? Alleen dat onderscheid kan al veel veranderen. Je hoeft het oude gevoel niet onmiddellijk weg te krijgen. Je kunt leren herkennen: ‘Dit gevoel hoort bij wat ik jarenlang heb geleerd. Ik mag opnieuw beoordelen of de regel erachter nog bij mij past.’ Je geweten kan veranderen Door nieuwe ervaringen kunnen oude koppelingen geleidelijk zwakker worden. Je doet bijvoorbeeld iets wat vroeger als werelds voelde en merkt: Ik doe niemand kwaad. Dit gaat niet tegen mijn huidige waarden in. Ik ben nog steeds dezelfde zorgzame persoon. De eerste keer kan ongemakkelijk voelen. De tiende keer misschien minder. Dat betekent niet dat je je geweten moet uitschakelen. Je bent juist bezig je geweten opnieuw te onderzoeken: Welke normen wil ik behouden omdat ik ze zelf waardevol vind? Welke wil ik veranderen? En over welke keuze weet ik het eigenlijk nog niet? Wanneer oude angst, schuld of schaamte zeer sterk blijft of het dagelijks functioneren belemmert, kan professionele psychologische hulp helpen om zulke aangeleerde reacties te onderzoeken. Vrijheid betekent niet het tegenovergestelde doen Wanneer iemand Jehovah’s Getuigen verlaat, kan ook een nieuwe valkuil ontstaan: het gevoel dat vrijheid betekent dat je nu juist alles moet doen wat vroeger niet hoorde. Maar ook dat laat de oude regels nog steeds bepalen wat je doet — alleen in omgekeerde richting. Je hoeft geen tatoeage te nemen, naar bepaalde muziek te luisteren, verjaardagen te vieren of je anders te gaan kleden alleen omdat dat vroeger misschien als ‘werelds’ werd gezien. Vrijheid betekent niet dat je automatisch het tegenovergestelde moet doen van wat je vroeger leerde. Vrijheid betekent dat je opnieuw mag onderzoeken wat werkelijk bij jou past. Misschien behoud je veel waarden uit je jeugd. Misschien verandert er veel. Misschien ontdek je dat je sommige dingen helemaal niet mist. Dan komt de beslissing niet meer alleen voort uit: ‘Dit mag niet, want het is werelds.’ Maar steeds meer uit: ‘Dit past wel of niet bij de persoon die ik wil zijn.’ Om zelf over na te denken Wat bedoel ik precies wanneer ik iets ‘werelds’ noem? Is het werkelijk in strijd met een Bijbeltekst of wordt een beginsel toegepast? Zou dezelfde keuze in een andere gemeente of cultuur anders worden beoordeeld? Als dat zo is, welk deel komt dan uit de Bijbel en welk deel uit de omgeving? Voel ik schuld omdat ik tegen mijn eigen waarden inga, of omdat ik heb geleerd dat iets werelds is? Als niemand uit de gemeente mijn keuze ooit zou zien, zou ik dan hetzelfde beslissen? Ben ik bang voor wat Jehovah ervan vindt, voor wat andere mensen ervan vinden, of zijn die twee voor mij moeilijk uit elkaar te halen? Welke waarden uit mijn opvoeding wil ik bewust behouden? Welke regels wil ik opnieuw onderzoeken? En welke keuzes passen werkelijk bij wie ik zelf wil zijn? Tot slot ‘Werelds’ is binnen Jehovah’s Getuigen veel meer dan een woord voor iets dat buiten de gemeente bestaat. Het hoort bij een religieus wereldbeeld waarin Jehovah de waarheid vertegenwoordigt, Satan invloed heeft op de huidige wereld en christenen worden gewaarschuwd geen deel van die wereld te worden. Voor een gelovige kan dat duidelijke morele richting geven. Voor een kind kan dezelfde tegenstelling diep verbonden raken met goed en verkeerd, veilig en gevaarlijk, binnen en buiten . Tegelijk zijn niet alle dingen die in het dagelijkse gemeenteleven als werelds worden ervaren rechtstreeks in de Bijbel verboden. Cultuur, tijd, plaatselijke opvattingen en menselijke toepassing van Bijbelse beginselen kunnen mede bepalen waar de grens wordt gelegd. Daarom kan het waardevol zijn om niet bij het woord werelds te stoppen, maar één vraag verder te gaan: ‘Wat is hier precies verkeerd aan — en waarop baseer ik dat?’ En voor iemand die later niet meer als Jehovah’s Getuige leeft, kan nog een andere vraag belangrijk worden. Het woord werelds kan uit je dagelijkse taal verdwijnen terwijl het bijbehorende schuldgevoel nog aanwezig is. Dan hoef je niet automatisch alles af te wijzen wat je vroeger leerde. Je hoeft evenmin automatisch het tegenovergestelde te doen. Je mag opnieuw ontdekken welke waarden werkelijk van jou zijn. ‘Vind ik dit werkelijk verkeerd — of heb ik geleerd dat ik mij er verkeerd over moet voelen?’ Bronnen Nieuwewereldvertaling - Johannes 3:16; Johannes 12:31; Johannes 17:14-16; Jakobus 4:4; 1 Johannes 2:15-17; 1 Johannes 5:19; 1 Petrus 5:8 JW.org - publicaties over ‘de wereld’, geen deel van de wereld zijn, omgang, uiterlijk en entertainment Watchtower Online Library - publicaties over wereldse invloed, geweten en persoonlijke beslissingen JW.org - publicaties over tatoeages en Bijbelse beginselen American Psychological Association - informatie over ontwikkeling, socialisatie, schuld en aangeleerd gedrag Albert Bandura - Social Learning Theory Zie ook in A-Z Begrippenlijst Jehovah’s Getuigen D - De waarheid - Wat betekent de tegenstelling tussen ‘de waarheid’ en ‘de wereld’? G - Geloofsopvoeding - Hoe worden religieuze normen vanaf de jeugd aangeleerd en bevestigd? G - Geweten - Waarom kan iets nog verkeerd voelen wanneer je overtuiging is veranderd? O - Omgang - Welke betekenis heeft de keuze van vrienden binnen Jehovah’s Getuigen? S - Satan - Welke plaats heeft Satan in het wereldbeeld van Jehovah’s Getuigen? V - Vrije wil - Hoe vrij voelt een keuze wanneer er sociale en religieuze verwachtingen aan verbonden zijn?