Kennisbibliotheek › Familie en relaties
Vrije wil of aangeleerde keuze?
Hoe vrij is een religieuze keuze wanneer geloof, gezin, identiteit en toekomst met elkaar verbonden zijn?
Jehovah's Getuigen hechten veel waarde aan vrije wil. Jehovah dwingt niemand om hem te dienen. Ieder mens moet volgens de leer zelf beslissen of hij voor Jehovah kiest. Daarom worden baby's bij Jehovah's Getuigen niet gedoopt. Iemand moet oud genoeg zijn om te begrijpen wat hij doet en zichzelf uit vrije wil aan Jehovah opdragen. Dat klinkt als een vrije keuze. Maar bij een kind dat vanaf zijn geboorte als Jehovah's Getuige wordt opgevoed, ontstaat een interessante vraag: Hoe vrij voelt een keuze wanneer de ene keuze vanaf je geboorte verbonden is met alles en iedereen van wie je houdt? Daarover gaat dit artikel. Niet over de vraag of ouders hun geloof aan hun kinderen mogen doorgeven. Vrijwel alle ouders geven overtuigingen en waarden mee. De vraag is: Wat heeft een kind nodig om uiteindelijk werkelijk een eigen geloofskeuze te kunnen maken? Je kiest niet vanuit een lege kamer Een kind kiest zijn geloof niet zonder voorgeschiedenis. Een kind dat opgroeit als Jehovah's Getuige kan al jaren vertrouwd zijn met de Koninkrijkszaal, vergaderingen, velddienst, congressen, gebeden, Bijbelverhalen en JG-publicaties voordat het zelf kan beoordelen of het die overtuigingen deelt. Het heeft geleerd wie Jehovah is. Het heeft over Satan gehoord. Het kent het paradijs. Het heeft over Armageddon gehoord. Het weet wat met 'de waarheid' wordt bedoeld. Het heeft geleerd dat er verschil bestaat tussen Jehovah's volk en 'de wereld'. En juist binnen die geloofswereld bevinden zich vaak ook de belangrijkste mensen in zijn leven. Papa en mama geloven het. Broers en zussen misschien ook. Opa en oma misschien. Vrienden zitten mogelijk in de gemeente. Ouderlingen zijn vertrouwde volwassenen. Tijdens congressen ziet het kind soms duizenden mensen die hetzelfde geloven. Een kind kiest daarom later niet tussen twee abstracte levensbeschouwingen. Het kiest vanuit een wereld waarin één daarvan al jarenlang thuis is. De twee mogelijkheden voelen niet noodzakelijk hetzelfde Stel dat een meisje van vijftien zegt: 'Ik wil Jehovah dienen.' Haar ouders kunnen daar heel blij mee zijn. Broeders en zusters moedigen haar aan. Misschien gaat ze meer in de velddienst. Misschien denkt ze aan pionieren. Wanneer ze zich laat dopen, kan dat binnen gezin en gemeente als een belangrijke en mooie stap worden gezien. Stel nu dat hetzelfde meisje zegt: 'Ik geloof niet dat dit de waarheid is.' Formeel is ook dat haar keuze. Maar emotioneel kan die keuze heel anders voelen. Haar ouders kunnen verdrietig of bang worden. Niet alleen omdat hun dochter anders denkt. Zij kunnen werkelijk geloven dat haar verhouding met Jehovah en haar toekomst op het spel staan. Misschien vrezen ze dat de wereld haar beïnvloedt. Misschien denken ze aan Satan. Misschien denken ze aan Armageddon. Het meisje hoeft niemand te horen zeggen: 'Je mag niet weg.' Ze kan het verdriet van haar ouders zien. En voor een kind kan dat zwaar wegen. Papa en mama verdriet doen Kinderen zijn van nature gevoelig voor de goedkeuring en emoties van hun ouders. Een kind wil meestal dat zijn ouders trots op hem zijn. Daarom is een keuze waarbij één antwoord de ouders zichtbaar gelukkig maakt en het andere antwoord verdriet oproept niet volledig emotioneel neutraal. Bij: 'Ik wil me laten dopen' kan een kind horen: Wat geweldig. We zijn trots op je. Jehovah zal blij met je zijn. Maar bij: 'Ik wil geen Jehovah's Getuige worden' kan de sfeer totaal anders worden. Dan gaat de vraag voor een jongere mogelijk niet alleen meer over: Wat geloof ik? maar ook over: Hoeveel verdriet doe ik mijn ouders aan wanneer ik mezelf volg? Dat kan een loyaliteitsconflict veroorzaken. En dan is er Jehovah Voor een JG-kind kan de relatie met Jehovah heel werkelijk zijn. Daardoor kan twijfel aan de organisatie veel groter voelen dan twijfel aan een menselijke instelling. Wanneer een kind leert dat Jehovah zijn volk via zijn organisatie leidt, kan een vraag over de organisatie ook aanvoelen als een vraag over Jehovah. Een jongere kan zich bijvoorbeeld afvragen: Ben ik opstandig? Ben ik geestelijk zwak? Maak ik Jehovah verdrietig? Heeft Satan invloed op mij? Verlies ik het paradijs? Wat gebeurt er met mij bij Armageddon? Zelfstandig onderzoeken kan dan een dubbele lading krijgen. Je onderzoekt niet alleen of iets klopt. Je loopt ook het risico dat je tijdens dat onderzoek ontdekt dat je niet meer gelooft. En juist die uitkomst kan beangstigend zijn. Vrije wil en angst Daarmee ontstaat een belangrijke vraag: Hoe vrij kan een keuze voelen wanneer één mogelijke uitkomst sterk met angst is verbonden? Stel dat iemand zegt: 'Je bent vrij om een van deze twee wegen te kiezen.' De ene weg is vanaf je jeugd verbonden geraakt met: Jehovah; je ouders; je vrienden; de gemeente; het paradijs; eeuwig leven; en erbij horen. De andere weg kan in je beleving verbonden zijn geraakt met: de wereld; Satan; geestelijk gevaar; Armageddon; en mogelijk verlies. Er zijn formeel twee mogelijkheden. Maar voor een kind kunnen ze heel verschillend voelen. Een keuze hebben is niet hetzelfde als twee keuzes hebben die even veilig voelen. De wereld buiten de gemeente JG-kinderen gaan gewoon naar school en leven dus niet letterlijk afgesloten van de samenleving. Tegelijkertijd leren zij dat christenen 'geen deel van de wereld' zijn. Ze vieren geen verjaardagen en bepaalde feestdagen. Ook wordt gewaarschuwd voor slechte omgang. Een kind kan daardoor prima klasgenoten kennen en aardig vinden, maar tegelijkertijd leren voorzichtig te zijn met nauwe omgang buiten de gemeente. Ook dat beïnvloedt de omgeving waarin later een geloofskeuze wordt gemaakt. Want wanneer je twee manieren van leven wilt vergelijken, moet je beide tot op zekere hoogte kunnen leren kennen. Rapunzel en de open deur Daarom kan het verhaal van Rapunzel een interessante metafoor zijn. Niet omdat JG-ouders hun kinderen bewust zouden opsluiten. Voor veel ouders voelt het juist alsof zij hun kind beschermen. Maar stel je voor dat een kind jarenlang hoort dat buiten de toren gevaar bestaat. Op een dag gaat de deur open en wordt gezegd: 'Nu mag je zelf kiezen.' Is die keuze dan volledig vrij? De deur kan letterlijk openstaan. Maar alles wat het kind jarenlang over de buitenwereld heeft geleerd, zit nog in zijn hoofd. De grens kan inmiddels van buiten naar binnen zijn verhuisd. Je hoeft iemand niet fysiek tegen te houden wanneer diegene heeft geleerd zelf bang te zijn voor wat zich achter de grens bevindt. Identiteit ontstaat tijdens het opgroeien Tijdens de kindertijd en vooral in de adolescentie worden vragen over identiteit steeds belangrijker. Wie ben ik? Waar hoor ik bij? Wat geloof ik? Welke mensen passen bij mij? Wat vind ik goed en verkeerd? Wat wil ik later? Een jongere ontwikkelt die identiteit niet alleen binnen het gezin. Ook leeftijdgenoten, school en ervaringen buiten het gezin spelen daarin een rol. Maar wat gebeurt er wanneer veel belangrijke onderdelen van de identiteit al met één geloofsgemeenschap verbonden zijn? Je vrienden. Je gezin. Je geloof. Je moraal. Je sociale netwerk. Je toekomstbeeld. Je mogelijke partner. Je beeld van God. Dan kan twijfel aan het geloof veel groter worden dan: 'Ik ben van mening veranderd.' Het kan voelen als: Wie ben ik nog wanneer dit niet waar is? En dan komt de doop Jehovah's Getuigen dopen geen baby's. Een jongere moet zelf aangeven dat hij zich aan Jehovah wil opdragen en gedoopt wil worden. Vanuit Jehovah's Getuigen wordt die keuze juist gezien als persoonlijk en vrijwillig. Tegelijkertijd worden ook minderjarigen gedoopt. En daarmee ontstaat een bijzondere situatie. Een minderjarige kan een beslissing nemen die wordt beschouwd als een verbintenis voor het leven, terwijl hij nog midden in zijn ontwikkeling zit. Dat betekent niet dat zijn geloof niet oprecht kan zijn. Maar het maakt het wel belangrijk om te onderzoeken: Wat kan een minderjarige werkelijk overzien wanneer hij die beslissing neemt? De vragen vóór de doop Voorafgaand aan de doop worden met de kandidaat onderwerpen en vragen besproken door ouderlingen. Er wordt gekeken of de kandidaat de leer begrijpt, naar de normen van Jehovah's Getuigen leeft en beseft wat zijn opdracht aan Jehovah betekent. Daarna wordt beoordeeld of iemand volgens de ouderlingen klaar is om gedoopt te worden. Het principe daarachter is begrijpelijk: iemand moet weten waarvoor hij kiest. Maar bij minderjarigen ontstaat een belangrijke tweede vraag: Wat betekent 'weten waarvoor je kiest'? Is het voldoende dat een jongere de geloofsleer kent? Dat hij kan uitleggen wat Jehovah's Getuigen geloven? Dat hij weet welke gedragsregels gelden? Of hoort daarbij ook dat hij zo goed mogelijk begrijpt welke consequenties deze beslissing kan hebben wanneer hij later anders gaat denken? De juiste antwoorden kennen is iets anders dan je toekomstige leven overzien Een jongere die vanaf zijn geboorte als Jehovah's Getuige is opgevoed, kan verrassend veel kennis hebben. Hij kent Bijbelteksten. Hij kent de taal van de organisatie. Hij weet wat er wordt geleerd over het paradijs, Armageddon, bloed, seksuele moraal, omgang en gemeenteleven. Hij kan volledig oprecht zeggen: 'Ik wil Jehovah mijn hele leven dienen.' Dat kan op dat moment zijn werkelijke overtuiging zijn. Maar kennis van de leer is niet hetzelfde als het kunnen overzien van tientallen jaren toekomst. Dat onderscheid is belangrijk. Wie beoordeelt of een jongere er klaar voor is? Ouderlingen kunnen een jongere goed kennen. Sommigen zijn zelf vader. Sommigen hebben veel levenservaring. En veel ouderlingen zullen serieus proberen te beoordelen of een jongere begrijpt wat hij doet. Het zou daarom niet juist zijn te zeggen dat ouderlingen per definitie niet in staat zijn hierover een oordeel te vormen. Maar hun functie betekent ook niet automatisch dat zij deskundig zijn in: ontwikkelingspsychologie; identiteitsontwikkeling; adolescentenontwikkeling; neurologische ontwikkeling; of geïnformeerde besluitvorming bij minderjarigen. Daarom is deze vraag gerechtvaardigd: Welke deskundigheid is nodig om te beoordelen dat een minderjarige niet alleen de geloofsleer begrijpt, maar ook de mogelijke gevolgen van een levenslange beslissing voldoende kan overzien? Het jongerenbrein ontwikkelt nog Hier moeten we voorzichtig formuleren. Een jongere heeft niet 'te weinig hersencapaciteit'. Een vijftien- of zestienjarige kan intelligent zijn, zeer bewust nadenken en diepgaande overtuigingen hebben. Maar zijn hersenen zijn nog in ontwikkeling. Het Amerikaanse National Institute of Mental Health beschrijft dat de hersenen blijven rijpen tot in het midden/einde van de twintig. De prefrontale cortex — betrokken bij onder andere plannen, prioriteiten stellen en besluitvorming — behoort tot de laatste hersengebieden die volledig rijpen. Dat betekent nadrukkelijk niet: jongeren kunnen geen keuzes maken. Het betekent wel dat adolescentie een ontwikkelingsfase is waarin identiteit, sociale gevoeligheid, toekomstdenken en besluitvorming nog veranderen. En dat is relevant wanneer een beslissing wordt voorgesteld als: voor altijd. Je weet op je veertiende nog niet wie je op je dertigste bent Een jongere die zich laat dopen, zit misschien nog op de middelbare school. Hij heeft mogelijk nog nooit: zelfstandig gewoond; een vervolgopleiding gekozen; een langdurige volwassen relatie gehad; kinderen gekregen; een beroep gekozen; een huishouden gedragen; of jarenlang een zelfstandig leven buiten het ouderlijk gezin geleid. Hij is nog bezig te ontdekken wie hij is. Dat maakt zijn huidige geloof niet onwerkelijk. Maar het betekent wel dat hij een beslissing voor zijn hele leven neemt voordat hij een groot deel van dat leven heeft ervaren. Wat als je later anders denkt? Misschien is dit één van de belangrijkste vragen vóór de doop. Er wordt veel aandacht besteed aan: Wat betekent het om Jehovah te dienen? Maar een volledig geïnformeerde keuze heeft ook een andere kant: Wat betekent het wanneer ik later niet meer wil? Begrijpt een twaalf-, veertien- of zestienjarige wat er kan gebeuren wanneer hij op zijn dertigste tot de conclusie komt: 'Ik geloof dit niet meer'? Begrijpt hij welke gevolgen verwijdering uit de gemeente kan hebben? Begrijpt hij wat dit kan betekenen voor contacten met mensen binnen de geloofsgemeenschap? Begrijpt hij wat het betekent wanneer zijn ouders, broers, zussen en beste vrienden later nog steeds Jehovah's Getuigen zijn? En begrijpt hij werkelijk dat zijn overtuigingen als volwassene heel anders kunnen worden dan op het moment van zijn doop? Dat gaat verder dan de regels kennen. Dat gaat over geïnformeerde keuze . Een vraag die misschien óók vóór de doop gesteld zou moeten worden Stel dat een veertienjarige niet alleen wordt gevraagd: 'Wil jij Jehovah voor altijd dienen?' maar ook: 'Stel dat je over twintig jaar na uitgebreid onderzoek werkelijk gelooft dat Jehovah's Getuigen niet de waarheid hebben. Begrijp je wat jouw beslissing van vandaag dan voor je leven kan betekenen?' Dat is een moeilijke vraag. Niet alleen voor een kind. Ook volwassenen kunnen hun toekomstige overtuigingen niet voorspellen. Maar juist omdat een minderjarige zijn identiteit nog ontwikkelt, verdient deze andere mogelijkheid aandacht. Religieuze rijpheid en psychologische rijpheid Binnen een geloofsgemeenschap kan een minderjarige als geestelijk rijp worden beschouwd. Hij geeft goede antwoorden. Hij gaat graag mee in de velddienst. Hij bestudeert de Bijbel. Hij bidt. Hij gedraagt zich volgens de normen van de gemeente. Hij wil Jehovah dienen. Dat kan allemaal oprecht zijn. Maar: Religieuze rijpheid volgens de maatstaven van een geloofsgemeenschap is niet automatisch hetzelfde als volledige ontwikkelingspsychologische volwassenheid. Beide kunnen tegelijkertijd waar zijn: Deze jongere gelooft oprecht. én Deze jongere is nog volop in ontwikkeling. Een opmerkelijke tegenstelling Minderjarigen worden in de samenleving op allerlei gebieden extra beschermd omdat we erkennen dat zij nog in ontwikkeling zijn. Tegelijkertijd kan een minderjarige een religieuze beslissing nemen die als levenslang wordt beschouwd. Dat hoeft op zichzelf niet problematisch te zijn. De ingewikkelde vraag ontstaat wanneer aan die beslissing jaren later nog zeer ingrijpende sociale gevolgen kunnen zijn verbonden, terwijl de volwassen geworden persoon inmiddels fundamenteel anders denkt. Daarom zou vóór de doop misschien niet alleen gevraagd moeten worden: 'Ben je overtuigd dat dit de waarheid is?' maar ook: 'Wat gebeurt er als jij later overtuigd raakt dat dit niet de waarheid is?' En: 'Begrijp je dat je ook die mogelijkheid vandaag moet kunnen overwegen?' Vrije wil betekent niet alleen ja kunnen zeggen Dat brengt ons terug naar de kern. Vrije wil betekent niet alleen: Je mag zelf ja zeggen. Werkelijke keuzevrijheid vraagt misschien ook: Je mag nee zeggen. Je mag wachten. Je mag twijfelen. Je mag onderzoeken. En je mag later van overtuiging veranderen. Zonder dat daarmee automatisch de liefde en verbondenheid van de belangrijkste mensen in je leven op het spel zouden moeten komen. Geen letterlijke dwang betekent niet automatisch volledige vrijheid Een ouder hoeft nooit te zeggen: 'Jij moet je laten dopen.' Er kan toch beïnvloeding bestaan. Dat is niet bijzonder voor Jehovah's Getuigen. Alle mensen worden beïnvloed door hun omgeving. Maar bij een levenslange geloofsbeslissing is het interessant om te kijken naar alle signalen die een kind ontvangt. De trots wanneer het antwoord geeft. Complimenten over geestelijke vooruitgang. Andere jongeren die gedoopt worden. Congressen. Velddienst. Gesprekken over geestelijke doelen. De blijdschap rond een doop. De hoop van ouders dat hun kind Jehovah zal blijven dienen. Geen van deze dingen hoeft op zichzelf verkeerd te zijn. Maar samen vormen ze wel de sociale omgeving waarin de beslissing wordt genomen. Daarom vertelt: 'Niemand heeft mij gedwongen' nog niet het volledige verhaal over hoe een keuze tot stand kwam. Ook de ouder staat onder druk En hier hoort nadrukkelijk ook de andere kant bij. Stel dat je moeder bent en oprecht gelooft dat Jehovah's Getuigen de waarheid hebben. Je zoon van zestien zegt: 'Mam, ik geloof het niet meer.' Je houdt van hem. Maar je gelooft tegelijkertijd dat zijn toekomst ervan afhangt. Misschien vraag je jezelf af: Wat heb ik verkeerd gedaan? Had ik meer gezinsaanbidding moeten doen? Heb ik hem onvoldoende beschermd tegen verkeerde omgang? Misschien bid je tot Jehovah. Misschien denk je aan Armageddon. Misschien zie je in gedachten het paradijs zonder je kind. Ook de ouder kan daardoor grote druk ervaren. Daarom is dit niet eenvoudigweg een verhaal van: slechte ouders tegenover kwetsbare kinderen. Het kan veel tragischer zijn. Ouders en kinderen kunnen allebei vanuit liefde bang zijn elkaar kwijt te raken. Maar de rollen zijn niet gelijk Toch blijft er een belangrijk verschil. De ouder is de volwassene. Het kind is afhankelijk van de ouder. Daarom heeft de volwassene meer verantwoordelijkheid om emotionele ruimte te creëren. Een kind zou niet het gevoel moeten krijgen: Ik moet dit blijven geloven om papa en mama niet kapot te maken. Een ouder mag verdrietig zijn. Een ouder mag bang zijn. Een ouder mag zelf diep geloven. Maar daarnaast heeft het kind iets fundamenteels nodig: De zekerheid dat de liefde van zijn ouders niet afhankelijk is van zijn uiteindelijke geloofskeuze. Hoe zou vrije geloofskeuze eruit kunnen zien? Misschien betekent vrije wil helemaal niet dat JG-ouders hun geloof minder duidelijk moeten meegeven. Misschien zit het verschil in de ruimte daarnaast. Bijvoorbeeld: 'Dit geloven wij. Maar je mag vragen waarom.' 'Je hoeft je niet te laten dopen omdat wij dat graag willen.' 'Wacht gerust totdat jij zeker bent.' 'Je mag zeggen dat je iets niet gelooft.' 'Je mag vragen stellen waarop wij geen antwoord weten.' 'Je mag onderzoeken.' 'Je mag mensen leren kennen die anders denken.' En vooral: 'Als jij later anders kiest, blijf jij mijn kind.' Dan verandert vrije wil van: Je bent vrij om voor onze weg te kiezen. naar: Je bent vrij om te ontdekken welke weg werkelijk de jouwe is. Voor jongeren die twijfelen Misschien ben jij jong en nog Jehovah's Getuige. Misschien wordt er gevraagd wanneer je je wilt laten dopen. Misschien doen je vrienden het al. Misschien willen je ouders heel graag dat jij deze stap zet. En misschien weet jij het nog niet. Dan is: 'Ik weet het nog niet' ook een antwoord. Je mag tijd nodig hebben voor een beslissing die volgens je geloof voor het leven is. Je mag vragen stellen. Je mag onderzoeken. En als je merkt dat je vooral ja wilt zeggen omdat je bang bent iemand teleur te stellen, kun je jezelf één vraag stellen: Wat zou ik kiezen als niemand verdrietig, boos of teleurgesteld zou worden door mijn antwoord? Het antwoord daarop hoeft niet automatisch de waarheid te zijn. Maar misschien hoor je daarin iets van jouw eigen stem . Voor volwassenen die terugkijken Misschien liet jij je op jonge leeftijd dopen. Misschien wilde je dat toen werkelijk. Je hoeft tegen jezelf niet te zeggen: 'Dat was nooit mijn keuze.' Het kan toen absoluut jouw keuze zijn geweest. Maar je mag er later wel opnieuw naar kijken. Welke mogelijkheden kon ik toen overzien? Hoeveel wist ik over andere levensbeschouwingen? Wat dacht ik over 'de wereld'? Wat dacht ik dat er zou gebeuren wanneer ik Jehovah niet zou dienen? Hoe belangrijk was de goedkeuring van mijn ouders? Hoe belangrijk was de gemeente? Hoe belangrijk waren mijn vrienden? Wist ik wat er kon gebeuren wanneer ik later niet meer geloofde? Was niet-dopen voor mij werkelijk een veilige mogelijkheid? Dat zijn geen vragen om het kind dat je was te veroordelen. Het zijn vragen waarmee je misschien beter kunt begrijpen hoe jouw keuze tot stand kwam. Misschien begint vrije wil bij één zin Een JG-ouder hoeft zijn geloof niet op te geven om zijn kind werkelijk keuzevrijheid te geven. Misschien begint het bij één zin: 'Ik hoop dat jij voor Jehovah kiest. Maar als jij later iets anders gelooft, blijf ik net zoveel van jou houden.' Voor een kind kan dat betekenen: Ik hoef niet te kiezen tussen mijn ouders en mezelf. En misschien ontstaat juist wanneer beide wegen emotioneel veilig mogen bestaan de beste kans op een werkelijk vrije geloofskeuze. Praat mee Hoe vrij voelde jouw eigen geloofskeuze? Hoe oud was je toen je gedoopt werd? Wilde je dat zelf? Waarom wilde je het? Wist je vóór je doop wat er kon gebeuren wanneer je later niet meer geloofde? Kan je je herinneren dat een ouderling de mogelijke gevolgen van later vertrekken uitgebreid met je besprak? Had je zonder problemen kunnen zeggen: 'Ik wil nog niet gedoopt worden'? Kon je andere religieuze of niet-religieuze overtuigingen onderzoeken? En voor ouders die nog Jehovah's Getuige zijn: Zou jouw kind tegen jou kunnen zeggen: 'Ik geloof niet wat jij gelooft' en tegelijkertijd zeker weten dat jouw relatie met hem of haar blijft bestaan? Het doel is niet om hier vast te stellen welk geloof waar is. Het gaat om een andere vraag: Wat heeft een kind nodig om een religieuze keuze werkelijk als zijn eigen keuze te kunnen ervaren? En misschien is de kern uiteindelijk heel eenvoudig: Als een kind een vrije wil heeft, moet het dan niet net zo veilig nee kunnen zeggen als ja?