Herkenbare vragen
- Hoe vrij is een geloofskeuze wanneer één geloof vanaf je geboorte je thuis, familie en sociale wereld vormt?
- Kan een kind oprecht voor een geloof kiezen én tegelijkertijd sterk door zijn omgeving zijn beïnvloed?
- Is ‘niemand heeft mij gedwongen’ voldoende om te zeggen dat een keuze volledig vrij was?
- Wat gebeurt er als ‘ja’ zeggen trots en blijdschap oproept en ‘nee’ zeggen verdriet of angst?
- Kan een kind leren zijn twijfels voor zich te houden om ouders niet teleur te stellen?
- Kan een kind zichzelf uiteindelijk het zwijgen opleggen zonder dat iemand letterlijk zegt dat het niet mag praten?
- Hoeveel kan een minderjarige overzien wanneer hij zich voor het leven laat dopen?
- Is de geloofsleer begrijpen hetzelfde als de toekomstige gevolgen van een beslissing kunnen overzien?
- Wat betekent vrije wil wanneer je ook later van overtuiging verandert?
- Moet een werkelijk vrije geloofskeuze niet net zo veilig ‘nee’ als ‘ja’ kunnen zijn?
Vrije wil binnen Jehovah’s Getuigen
Jehovah’s Getuigen hechten veel waarde aan vrije wil.
Jehovah dwingt volgens hun leer niemand om hem te dienen. Ieder mens moet persoonlijk beslissen of hij voor Jehovah kiest. Daarom worden baby’s bij Jehovah’s Getuigen niet gedoopt. Iemand moet oud genoeg zijn om te begrijpen wat hij doet en zichzelf vrijwillig aan Jehovah opdragen.
Het uitgangspunt is:
JEHOVAH DWINGT NIEMAND
↓
ieder mens heeft vrije wil
↓
je kiest zelf
of je Jehovah wilt dienen
↓
de doop moet
een persoonlijke keuze zijnMaar bij een kind dat vanaf zijn geboorte als Jehovah’s Getuige wordt opgevoed, ontstaat een tweede vraag:
Hoe vrij voelt een keuze wanneer één mogelijkheid vanaf je geboorte verbonden is geraakt met vrijwel alles en iedereen van wie je houdt?
Dit artikel gaat daarom niet over de vraag of ouders hun geloof aan hun kinderen mogen doorgeven. Vrijwel alle ouders geven waarden, normen en overtuigingen mee.
De belangrijkere vraag is:
Wat heeft een kind nodig om uiteindelijk werkelijk een eigen geloofskeuze te kunnen maken?
Je kiest niet vanuit een lege kamer
Een kind kiest zijn geloof niet zonder voorgeschiedenis.
Een kind dat als Jehovah’s Getuige opgroeit, kan jarenlang vertrouwd zijn met de Koninkrijkszaal, vergaderingen, velddienst, congressen, gebeden, Bijbelverhalen en JW-publicaties voordat het zelf in staat is om geloofsclaims kritisch met andere overtuigingen te vergelijken.
Het heeft geleerd wie Jehovah is, over Satan en Armageddon gehoord, kent het paradijs en weet wat met ‘de waarheid’ en ‘de wereld’ wordt bedoeld.
En juist binnen die geloofswereld bevinden zich vaak ook de belangrijkste mensen in zijn leven: ouders, broers en zussen, grootouders, vrienden en vertrouwde volwassenen in de gemeente. Tijdens congressen kan een kind bovendien duizenden mensen zien die hetzelfde geloven.
Een kind kiest daarom later niet tussen twee abstracte levensbeschouwingen.
Het kiest vanuit een wereld waarin één daarvan al jarenlang thuis is.
De twee mogelijkheden voelen niet noodzakelijk hetzelfde
Stel dat een meisje van vijftien zegt:
‘Ik wil Jehovah dienen.’
Haar ouders kunnen daar heel blij mee zijn. Broeders en zusters moedigen haar aan. Misschien gaat ze meer in de velddienst of denkt ze aan pionieren. Wanneer ze zich laat dopen, kan dat binnen gezin en gemeente als een prachtige stap worden gezien.
Stel nu dat hetzelfde meisje zegt:
‘Ik geloof niet dat dit de waarheid is.’
Formeel is ook dat haar keuze.
Maar emotioneel kan die keuze heel anders voelen.
Haar ouders kunnen verdrietig of bang worden, niet alleen omdat hun dochter anders denkt, maar omdat zij werkelijk kunnen geloven dat haar verhouding met Jehovah en haar toekomst op het spel staan. Misschien denken ze aan de wereld, Satan, geestelijk gevaar of Armageddon.
Het meisje hoeft niemand letterlijk te horen zeggen:
‘Je mag niet weg.’
Ze kan het verdriet van haar ouders al zien.
En voor een kind kan dat zwaar wegen.
Papa en mama verdriet doen
Kinderen zijn gevoelig voor de goedkeuring en emoties van hun ouders. Een kind wil meestal dat zijn ouders trots op hem zijn.
Daarom is een situatie waarin één antwoord zichtbare blijdschap oproept en het andere verdriet niet volledig emotioneel neutraal.
Bij:
‘Ik wil me laten dopen’
kan een kind horen:
Wat geweldig. We zijn trots op je. Jehovah zal blij met je zijn.
Maar bij:
‘Ik wil geen Jehovah’s Getuige worden’
kan de sfeer heel anders worden.
Dan gaat de vraag voor een jongere mogelijk niet alleen meer over:
Wat geloof ik?
maar ook over:
Hoeveel verdriet doe ik mijn ouders aan wanneer ik mezelf volg?
Dat kan een loyaliteitsconflict veroorzaken.
Kan een kind zichzelf het zwijgen opleggen?
Ja, dat kan.
Dat betekent niet dat ieder kind in een streng religieus gezin automatisch wordt monddood gemaakt.
Een gezin kan veel regels hebben en toch ruimte bieden voor vragen, twijfel, een afwijkende mening, boosheid, ‘nee’ zeggen en later anders kiezen.
Maar wanneer een kind herhaaldelijk merkt dat bepaalde uitspraken leiden tot teleurstelling, spanning, schuldgevoel, angst, verwijt, afwijzing of grote emotionele reacties, kan het iets anders leren:
‘Het is veiliger als ik dit niet zeg.’
EIGEN GEDACHTE
↓
ik zeg hem hardop
↓
spanning of afkeuring
↓
volgende keer:
eerst inschatten
of ik het wel moet zeggen
↓
steeds minder delen
↓
ZELFCENSUURNiemand hoeft letterlijk te zeggen:
‘Hou je mond.’
De grens kan zich naar binnen verplaatsen.
Een kind leert dan zichzelf corrigeren vóórdat iemand anders dat hoeft te doen.
Zelfcensuur is iets anders dan geen eigen mening hebben
Een kind kan vanbinnen wel degelijk denken:
Ik snap dit niet. Ik denk hier anders over. Waarom mag dat niet? Ik weet niet of ik dit geloof. Ik wil dit eigenlijk niet.
Maar tussen het denken en het uitspreken kan een controle ontstaan:
WAT DENK IK?
↓
KAN IK DIT VEILIG ZEGGEN?
↓
WAT GEBEURT ER
ALS IK DIT ZEG?
↓
ik zeg het /
ik verzacht het /
ik zeg nietsDat kan op den duur zo automatisch worden dat iemand nauwelijks nog merkt hoeveel hij zichzelf inhoudt.
Psychologisch is zelfcensuur daarom vaak nauwkeuriger dan zonder nuance zeggen dat iemand ‘monddood is gemaakt’.
Bij sommige mensen kan later zelfs de vraag ontstaan:
Wat vind ík eigenlijk?
en:
Wat heb ik geleerd dat ik behoor te vinden?
Streng is niet automatisch onveilig
Een strenge opvoeding hoeft zelfcensuur niet te veroorzaken.
Een ouder kan zeggen:
‘Wij geloven dit heel sterk en binnen ons gezin gelden deze regels.’
en tegelijkertijd:
‘Je mag mij altijd vertellen wanneer jij daar anders over denkt.’
Dan bestaan duidelijke grenzen én emotionele ruimte.
Het verschil zit dus niet alleen in hoeveel regels er zijn.
Een belangrijkere vraag is:
Wat gebeurt er wanneer het kind het oneens is?
STRENGE MAAR VEILIGE OPVOEDING
duidelijke regels
+
ruimte voor vragen en verschil
+
relatie blijft veilig
STERK CONTROLERENDE OMGEVING
duidelijke regels
+
afwijking voelt gevaarlijk
+
kind leert zich aanpassen
of stil te houdenEn dan is er Jehovah
Voor een JG-kind kan de relatie met Jehovah heel werkelijk zijn.
Daardoor kan twijfel aan de organisatie veel groter voelen dan twijfel aan een gewone menselijke instelling.
Wanneer een kind leert dat Jehovah zijn volk via zijn organisatie leidt, kan een vraag over de organisatie ook aanvoelen als een vraag over Jehovah.
Een jongere kan zich afvragen:
Ben ik opstandig? Ben ik geestelijk zwak? Maak ik Jehovah verdrietig? Heeft Satan invloed op mij? Verlies ik het paradijs? Wat gebeurt er met mij bij Armageddon?
Zelfstandig onderzoeken kan daardoor een dubbele lading krijgen.
Je onderzoekt niet alleen:
Klopt dit?
Je loopt ook het risico dat je tijdens je onderzoek ontdekt dat je het niet meer gelooft.
En juist die mogelijke uitkomst kan beangstigend zijn.
Vrije wil en angst
Daarmee ontstaat een belangrijke vraag:
Hoe vrij kan een keuze voelen wanneer één mogelijke uitkomst sterk met angst is verbonden?
Stel dat iemand zegt:
‘Je bent vrij om één van deze twee wegen te kiezen.’
De ene weg is vanaf je jeugd verbonden geraakt met Jehovah, je ouders, vrienden, de gemeente, het paradijs, eeuwig leven en erbij horen.
De andere kan in je beleving verbonden zijn geraakt met de wereld, Satan, geestelijk gevaar, Armageddon en mogelijk verlies.
Er bestaan formeel twee mogelijkheden.
Maar voor een kind kunnen ze emotioneel heel verschillend voelen.
KEUZE A
vertrouwd
familie
gemeenschap
Jehovah
paradijs
erbij horen
KEUZE B
onbekend
verdriet van ouders
mogelijk verlies
“de wereld”
geestelijk gevaarEen keuze hebben is niet hetzelfde als twee keuzes hebben die even veilig voelen.
De wereld buiten de gemeente
JG-kinderen gaan gewoon naar school en leven dus niet letterlijk afgesloten van de samenleving.
Tegelijk leren zij dat christenen ‘geen deel van de wereld’ zijn. Zij vieren bijvoorbeeld geen verjaardagen en bepaalde feestdagen en worden gewaarschuwd voor slechte omgang.
Een kind kan klasgenoten dus aardig vinden en tegelijkertijd leren voorzichtig te zijn met nauwe omgang buiten de gemeente.
Ook dat vormt de context waarin later een geloofskeuze wordt gemaakt.
Want om twee manieren van leven goed te kunnen vergelijken, moet je beide tot op zekere hoogte leren kennen.
Rapunzel en de open deur
Het verhaal van Rapunzel kan hiervoor als metafoor dienen.
Niet omdat JG-ouders hun kinderen bewust zouden opsluiten. Voor veel ouders voelt hun opvoeding juist als bescherming.
Maar stel dat een kind jarenlang hoort dat buiten de toren gevaar bestaat.
Op een dag gaat de deur open en wordt gezegd:
‘Nu mag je zelf kiezen.’
Is die keuze dan automatisch volledig vrij?
De deur kan letterlijk openstaan.
Maar alles wat het kind jarenlang over de buitenwereld heeft geleerd, zit nog in zijn hoofd.
De grens kan inmiddels van buiten naar binnen zijn verhuisd.
Je hoeft iemand niet fysiek tegen te houden wanneer diegene heeft geleerd zelf bang te zijn voor wat zich achter de grens bevindt.
Identiteit ontstaat tijdens het opgroeien
Tijdens de kindertijd en vooral de adolescentie worden vragen steeds belangrijker als: Wie ben ik? Waar hoor ik bij? Wat geloof ik? Wat vind ik goed en verkeerd? Welke mensen passen bij mij? Wat wil ik later?
Een jongere ontwikkelt die identiteit niet alleen thuis. Ook school, leeftijdgenoten en andere ervaringen spelen een rol.
Maar wanneer vrienden, gezin, geloof, moraal, sociaal netwerk, toekomstbeeld, mogelijke partner en beeld van God allemaal sterk met één geloofsgemeenschap verbonden zijn, kan twijfel veel groter worden dan:
‘Ik ben van mening veranderd.’
Het kan voelen als:
Wie ben ik nog wanneer dit niet waar is?
En dan komt de doop
Jehovah’s Getuigen dopen geen baby’s.
Een jongere moet zelf aangeven dat hij zich aan Jehovah wil opdragen en gedoopt wil worden. Vanuit Jehovah’s Getuigen wordt die beslissing juist gezien als persoonlijk en vrijwillig.
Tegelijkertijd worden ook minderjarigen gedoopt.
Daarmee ontstaat een bijzondere situatie:
Een minderjarige kan een beslissing nemen die binnen het geloof als een verbintenis voor het leven wordt beschouwd terwijl hij nog volop in ontwikkeling is.
Dat betekent niet dat zijn geloof niet oprecht kan zijn.
Een jongere kan heel diep en oprecht geloven.
Maar het maakt een andere vraag relevant:
Wat kan een minderjarige werkelijk overzien wanneer hij deze beslissing neemt?
De vragen vóór de doop
Voorafgaand aan de doop worden verschillende onderwerpen en vragen met de kandidaat besproken.
Er wordt gekeken of iemand de leer begrijpt, volgens de normen leeft en begrijpt wat zijn opdracht aan Jehovah betekent.
Het principe daarachter is begrijpelijk:
Iemand moet weten waarvoor hij kiest.
Maar bij minderjarigen ontstaat een tweede vraag:
Wat betekent ‘weten waarvoor je kiest’?
Is het voldoende dat iemand de geloofsleer kent, kan uitleggen wat Jehovah’s Getuigen geloven en weet welke gedragsregels gelden?
Of hoort een werkelijk geïnformeerde beslissing ook te omvatten:
Wat kan deze beslissing voor mij betekenen wanneer ik twintig jaar later anders denk?
De juiste antwoorden kennen is iets anders dan je toekomstige leven overzien
Een jongere die vanaf zijn geboorte als Jehovah’s Getuige is opgevoed, kan veel kennis hebben.
Hij kent Bijbelteksten, de taal van de organisatie en de leer over het paradijs, Armageddon, bloed, seksuele moraal, omgang en gemeenteleven.
Hij kan volledig oprecht zeggen:
‘Ik wil Jehovah mijn hele leven dienen.’
Dat kan op dat moment werkelijk zijn overtuiging zijn.
Maar kennis van de leer is niet hetzelfde als het kunnen overzien van tientallen jaren toekomst.
Dat onderscheid is belangrijk.
Wie beoordeelt of een jongere er klaar voor is?
Ouderlingen kunnen een jongere goed kennen. Sommigen zijn zelf vader en veel ouderlingen zullen serieus proberen vast te stellen of iemand begrijpt wat hij doet.
Het zou daarom te simpel zijn te zeggen dat ouderlingen per definitie geen zinvol oordeel kunnen vormen.
Maar hun religieuze functie maakt hen niet automatisch deskundig in ontwikkelingspsychologie, identiteitsontwikkeling, adolescentenontwikkeling, neurologische ontwikkeling of geïnformeerde besluitvorming bij minderjarigen.
Daarom is de vraag gerechtvaardigd:
Welke deskundigheid is nodig om te beoordelen dat een minderjarige niet alleen de geloofsleer begrijpt, maar ook de mogelijke gevolgen van een levenslange beslissing voldoende kan overzien?
Het jongerenbrein ontwikkelt nog
Hier is nuance belangrijk.
Een jongere heeft niet simpelweg ‘te weinig hersencapaciteit’.
Een vijftien- of zestienjarige kan intelligent zijn, diep nadenken en zeer oprechte overtuigingen hebben.
Maar het brein ontwikkelt nog verder tijdens de adolescentie en vroege volwassenheid. Functies rond onder andere plannen, prioriteiten stellen, impulscontrole, sociale afwegingen en toekomstdenken blijven zich ontwikkelen.
Dat betekent niet:
Jongeren kunnen geen goede keuzes maken.
Het betekent:
Adolescentie is een ontwikkelingsfase waarin identiteit, sociale gevoeligheid en besluitvorming nog veranderen.
Dat is relevant wanneer een beslissing wordt voorgesteld als:
voor altijd.
Je weet op je veertiende nog niet wie je op je dertigste bent
Een minderjarige die zich laat dopen heeft mogelijk nog nooit zelfstandig gewoond, een vervolgopleiding afgerond, een langdurige volwassen relatie gehad, kinderen gekregen, een beroep opgebouwd of jarenlang een zelfstandig huishouden gevoerd.
Hij is nog bezig te ontdekken wie hij is.
Dat maakt zijn geloof op dat moment niet minder echt.
Maar het betekent wel dat hij een beslissing voor zijn hele leven kan nemen voordat hij een groot deel van dat leven heeft ervaren.
Wat als je later anders denkt?
Misschien is dit één van de belangrijkste vragen vóór de doop.
Er wordt veel aandacht besteed aan:
Wat betekent het om Jehovah te dienen?
Maar een volledig geïnformeerde keuze heeft ook een andere kant:
Wat betekent het wanneer ik later niet meer wil?
Begrijpt een twaalf-, veertien- of zestienjarige wat er kan gebeuren wanneer hij op zijn dertigste na uitgebreid onderzoek concludeert:
‘Ik geloof dit niet meer’?
Begrijpt hij mogelijke gevolgen voor zijn positie in de gemeente, contacten binnen de geloofsgemeenschap, vriendschappen en familieverhoudingen?
En begrijpt hij werkelijk dat zijn overtuigingen als volwassene heel anders kunnen worden dan op het moment van zijn doop?
Dat gaat verder dan regels kennen.
Dat gaat over geïnformeerde keuze.
Een vraag die misschien óók vóór de doop gesteld zou kunnen worden
Stel dat een veertienjarige niet alleen wordt gevraagd:
‘Wil jij Jehovah voor altijd dienen?’
maar ook:
‘Stel dat je over twintig jaar na serieus onderzoek werkelijk gelooft dat Jehovah’s Getuigen niet de waarheid hebben. Begrijp je wat jouw beslissing van vandaag dan voor je leven kan betekenen?’
Dat is een moeilijke vraag.
Niet alleen voor kinderen. Ook volwassenen kunnen hun toekomstige overtuigingen niet voorspellen.
Maar juist omdat een minderjarige zijn identiteit nog ontwikkelt, verdient die mogelijkheid aandacht.
Religieuze rijpheid en psychologische rijpheid
Binnen een geloofsgemeenschap kan een minderjarige als geestelijk rijp worden beschouwd. Hij geeft goede antwoorden, gaat graag in de velddienst, bestudeert de Bijbel, bidt, leeft volgens de normen en wil Jehovah dienen.
Dat kan allemaal volledig oprecht zijn.
Maar twee dingen kunnen tegelijkertijd waar zijn:
DEZE JONGERE
GELOOFT OPRECHT
én
DEZE JONGERE
IS NOG VOLOP
IN ONTWIKKELINGReligieuze rijpheid volgens de maatstaven van een geloofsgemeenschap is niet automatisch hetzelfde als volledige ontwikkelingspsychologische volwassenheid.
Een opmerkelijke tegenstelling
Minderjarigen worden in de samenleving op allerlei terreinen extra beschermd omdat erkend wordt dat zij nog in ontwikkeling zijn.
Tegelijkertijd kan een minderjarige een religieuze beslissing nemen die als levenslang wordt beschouwd.
Dat hoeft op zichzelf niet problematisch te zijn.
De ingewikkelde vraag ontstaat wanneer aan die beslissing jaren later nog ingrijpende sociale gevolgen verbonden kunnen zijn, terwijl de volwassen geworden persoon inmiddels fundamenteel anders denkt.
Daarom zou vóór de doop misschien niet alleen gevraagd moeten worden:
‘Ben je overtuigd dat dit de waarheid is?’
maar ook:
‘Wat gebeurt er wanneer jij later overtuigd raakt dat dit níét de waarheid is?’
en:
‘Begrijp je dat je ook die mogelijkheid vandaag moet kunnen overwegen?’
Vrije wil betekent niet alleen ja kunnen zeggen
Dat brengt ons terug naar de kern.
Vrije wil betekent niet alleen:
Je mag zelf ja zeggen.
Werkelijke keuzevrijheid vraagt misschien ook:
Je mag nee zeggen. Je mag wachten. Je mag twijfelen. Je mag onderzoeken. Je mag later van overtuiging veranderen.
En idealiter:
Je hoeft daarvoor niet bang te zijn dat de liefde van de belangrijkste mensen in je leven verdwijnt.
Geen letterlijke dwang betekent niet automatisch volledige vrijheid
Een ouder hoeft nooit te zeggen:
‘Jij moet je laten dopen.’
Er kan toch sterke beïnvloeding bestaan.
Dat is niet bijzonder voor Jehovah’s Getuigen. Alle mensen worden door hun omgeving beïnvloed.
Maar bij een levenslange geloofsbeslissing is het zinvol naar de hele sociale omgeving te kijken: de trots wanneer een kind een goed antwoord geeft, complimenten over geestelijke vooruitgang, andere jongeren die gedoopt worden, congressen, velddienst, gesprekken over geestelijke doelen, de blijdschap rond een doop en de hoop van ouders dat hun kind Jehovah blijft dienen.
Geen van deze dingen hoeft afzonderlijk verkeerd te zijn.
Maar samen vormen ze wel de context waarin de beslissing wordt genomen.
Daarom vertelt:
‘Niemand heeft mij gedwongen’
niet automatisch het volledige verhaal van hoe een keuze tot stand kwam.
Wanneer zelfcensuur onderdeel wordt van die omgeving
Als een jongere merkt:
‘Wanneer ik het juiste antwoord geef, is iedereen blij.’
en:
‘Wanneer ik twijfel, ontstaat spanning.’
kan hij gaan leren welke versie van zichzelf het minste problemen oplevert.
Dat hoeft niet bewust te gebeuren.
GOEDKEURING
bij overeenstemming
+
SPANNING
bij afwijking
↓
aanvoelen wat
verwacht wordt
↓
twijfel minder uitspreken
↓
aanpassen
↓
eigen stem wordt
moeilijker hoorbaarDat is geen bewijs dat iedere religieuze opvoeding zo werkt.
Maar wanneer dit patroon ontstaat, is de vraag naar vrije keuze extra belangrijk.
Want een kind dat formeel ‘nee’ mag zeggen maar geleerd heeft dat ‘nee’ emotioneel gevaarlijk voelt, kan iets anders ervaren dan werkelijke ruimte.
Ook de ouder staat onder druk
Hier hoort nadrukkelijk ook de andere kant bij.
Stel dat je moeder bent en oprecht gelooft dat Jehovah’s Getuigen de waarheid hebben.
Je zoon van zestien zegt:
‘Mam, ik geloof het niet meer.’
Je houdt van hem.
Maar je gelooft tegelijkertijd dat zijn toekomst ervan afhangt.
Misschien vraag je jezelf af:
Wat heb ik verkeerd gedaan? Had ik meer gezinsaanbidding moeten doen? Heb ik hem onvoldoende beschermd?
Misschien bid je tot Jehovah, denk je aan Armageddon of zie je in gedachten het paradijs zonder je kind.
Ook de ouder kan daardoor grote druk ervaren.
Daarom is dit niet eenvoudigweg:
slechte ouders tegenover kwetsbare kinderen.
Het kan veel tragischer zijn:
Ouders en kinderen kunnen allebei vanuit liefde bang zijn elkaar kwijt te raken.
Maar de rollen zijn niet gelijk
Toch blijft één verschil belangrijk.
De ouder is de volwassene.
Het kind is afhankelijk van de ouder.
Daarom heeft de volwassene meer verantwoordelijkheid om emotionele ruimte te creëren.
Een kind zou niet het gevoel moeten krijgen:
‘Ik moet dit blijven geloven om papa en mama niet kapot te maken.’
Een ouder mag verdrietig zijn, bang zijn en diep geloven.
Maar daarnaast heeft het kind iets fundamenteels nodig:
de zekerheid dat de liefde van zijn ouders niet afhankelijk is van zijn uiteindelijke geloofskeuze.
Hoe zou vrije geloofskeuze eruit kunnen zien?
Misschien betekent vrije wil niet dat JG-ouders hun geloof minder duidelijk moeten meegeven.
Misschien zit het verschil in de ruimte daarnaast.
Bijvoorbeeld:
‘Dit geloven wij. Maar je mag vragen waarom.’
‘Je hoeft je niet te laten dopen omdat wij dat graag willen.’
‘Wacht gerust totdat jij zeker bent.’
‘Je mag zeggen dat je iets niet gelooft.’
‘Je mag vragen stellen waarop wij geen antwoord weten.’
‘Je mag onderzoeken en mensen leren kennen die anders denken.’
En vooral:
‘Als jij later anders kiest, blijf jij mijn kind.’
Dan verandert vrije wil van:
“Je bent vrij
om voor onze weg
te kiezen.”
naar:
“Je bent vrij
om te ontdekken
welke weg werkelijk
de jouwe is.”Voor jongeren die twijfelen
Misschien ben jij jong en nog Jehovah’s Getuige.
Misschien wordt gevraagd wanneer je je wilt laten dopen, doen je vrienden het al of hopen je ouders sterk dat jij deze stap zet.
En misschien weet jij het nog niet.
Dan is:
‘Ik weet het nog niet.’
ook een antwoord.
Je mag tijd nodig hebben voor een beslissing die volgens je geloof voor het leven is.
Je mag vragen stellen en onderzoeken.
En als je merkt dat je vooral ja wilt zeggen omdat je bang bent iemand teleur te stellen, kun je jezelf vragen:
Wat zou ik kiezen als niemand verdrietig, boos of teleurgesteld zou worden door mijn antwoord?
Het antwoord daarop hoeft niet automatisch de waarheid te zijn.
Maar misschien hoor je daarin iets van jouw eigen stem.
Voor volwassenen die terugkijken
Misschien liet jij je op jonge leeftijd dopen.
Misschien wilde je dat toen werkelijk.
Je hoeft daarom niet achteraf tegen jezelf te zeggen:
‘Dat was nooit mijn keuze.’
Het kan absoluut jouw keuze zijn geweest.
Maar je mag later opnieuw onderzoeken hoe die keuze tot stand kwam.
Welke mogelijkheden kon ik toen overzien? Hoeveel wist ik over andere levensbeschouwingen? Wat dacht ik over ‘de wereld’? Wat dacht ik dat er zou gebeuren wanneer ik Jehovah niet zou dienen? Hoe belangrijk waren mijn ouders, vrienden en de gemeente? Kon ik twijfels veilig uitspreken of hield ik bepaalde gedachten al voor mezelf? Wist ik wat er kon gebeuren wanneer ik later niet meer geloofde? Was niet-dopen voor mij werkelijk een veilige mogelijkheid?
Dat zijn geen vragen om het kind dat je was te veroordelen.
Het zijn vragen waarmee je beter kunt begrijpen hoe jouw keuze tot stand kwam.
Misschien begint vrije wil bij één zin
Een JG-ouder hoeft zijn geloof niet op te geven om zijn kind meer keuzevrijheid te geven.
Misschien begint het bij één zin:
‘Ik hoop dat jij voor Jehovah kiest. Maar als jij later iets anders gelooft, blijf ik net zoveel van jou houden.’
Voor een kind kan dat betekenen:
‘Ik hoef niet te kiezen tussen mijn ouders en mezelf.’
Misschien ontstaat juist wanneer beide wegen emotioneel veilig mogen bestaan de beste kans op een werkelijk vrije geloofskeuze.
Vragen om over na te denken
Hoe vrij voelde mijn eigen geloofskeuze?
Hoe oud was ik toen ik gedoopt werd?
Wilde ik dat op dat moment zelf?
Waarom wilde ik het?
Had ik zonder spanning kunnen zeggen dat ik nog niet gedoopt wilde worden?
Kon ik twijfels hardop uitspreken zonder bang te zijn iemand teleur te stellen?
Heb ik als kind ooit geleerd bepaalde gedachten liever voor mezelf te houden?
Werd mijn eigen mening onderzocht of vooral gecorrigeerd wanneer die afweek?
Wist ik vóór mijn doop wat er kon gebeuren wanneer ik later niet meer geloofde?
Kan ik mij herinneren dat mogelijke gevolgen van later vertrekken uitgebreid met mij werden besproken?
Kon ik andere religieuze en niet-religieuze overtuigingen werkelijk onderzoeken?
Hoe dacht ik toen over mensen buiten de gemeente?
Hoe belangrijk waren de goedkeuring van mijn ouders en de gemeente voor mij?
Was niet-dopen voor mij werkelijk een emotioneel veilige mogelijkheid?
Kon ik ‘nee’ zeggen zonder te vrezen dat belangrijke relaties zouden veranderen?
Wanneer ik ouder ben: zou mijn kind tegen mij kunnen zeggen ‘ik geloof niet wat jij gelooft’ en tegelijkertijd zeker weten dat onze relatie veilig blijft?
Wat heeft een kind nodig om een religieuze keuze werkelijk als zijn eigen keuze te kunnen ervaren?
Samenvatting
Jehovah’s Getuigen leren dat ieder mens vrije wil heeft en dat de doop een persoonlijke keuze moet zijn.
Maar een kind maakt zo’n keuze niet vanuit een lege ruimte.
Een kind dat vanaf zijn geboorte binnen één geloof opgroeit, kan zijn familie, vrienden, moraal, toekomstbeeld, relatie met God en gevoel van veiligheid allemaal binnen dezelfde geloofswereld ontwikkelen.
Daardoor kunnen ‘ja’ en ‘nee’ formeel allebei mogelijk zijn, terwijl ze emotioneel heel verschillend voelen.
Een kind hoeft bovendien niet letterlijk het zwijgen te worden opgelegd om minder te gaan zeggen.
Wanneer twijfel of afwijking regelmatig spanning, schuld, verdriet of afkeuring oproept, kan een kind zelfcensuur ontwikkelen:
“Ik mág dit misschien zeggen”
maar:
“het voelt veiliger
om het niet te zeggen”Dat betekent niet dat iedere strenge of religieuze opvoeding een kind monddood maakt.
Het verschil zit voor een belangrijk deel in:
Wat gebeurt er wanneer het kind anders denkt?
Een minderjarige kan bovendien zeer oprecht geloven en tegelijkertijd nog volop bezig zijn met identiteitsontwikkeling en toekomstdenken.
Daarom gaat een geïnformeerde geloofskeuze niet alleen over:
‘Begrijp je waarvoor je vandaag kiest?’
maar misschien ook over:
‘Begrijp je dat jij later anders kunt denken — en is daar vandaag werkelijk ruimte voor?’
Vrije wil betekent dan niet alleen:
je mag ja zeggen.
Het betekent ook:
je mag nee zeggen, wachten, twijfelen, onderzoeken, je eigen stem laten horen en later van overtuiging veranderen.
Misschien is de kern uiteindelijk heel eenvoudig:
Als een kind werkelijk een vrije wil heeft, moet het dan niet net zo veilig nee kunnen zeggen als ja?
Bronnen en verdieping
Jehovah’s Getuigen – officiële informatie over doop en vrije wil. Over de opvatting dat mensen vrijwillig voor Jehovah kiezen en dat baby’s niet worden gedoopt.
Jehovah’s Getuigen – Georganiseerd om Jehovah’s wil te doen. Over de voorbereiding op de doop en de beoordeling van doopkandidaten.
National Institute of Mental Health – The Teen Brain: 7 Things to Know. Over de verdere ontwikkeling van het adolescentenbrein.
Laurence Steinberg – Age of Opportunity: Lessons from the New Science of Adolescence, 2014. Over adolescentenontwikkeling, sociale gevoeligheid en besluitvorming.
Erik H. Erikson – Identity: Youth and Crisis, 1968. Klassiek werk over identiteitsontwikkeling tijdens adolescentie en jongvolwassenheid.
Edward L. Deci & Richard M. Ryan – Self-Determination Theory. Onderzoek naar autonomie, internalisering en ervaren druk.
Kipling D. Williams – onderzoek naar ostracisme en sociale uitsluiting. Over de psychologische betekenis van verbondenheid, afwijzing en sociale uitsluiting.