EXJW WorldKennisbibliotheek

Kennisbibliotheek › 📖 A-Z Begrippenlijst Jehovah's Getuigen

V - Vrije wil

Hoe vrij is een keuze wanneer één mogelijkheid verbonden is aan Gods afkeuring, verlies van mensen van wie je houdt, Armageddon of de dood?

Herkenbare vragen Geloven Jehovah’s Getuigen in vrije wil? Als God zegt dat je zelf mag kiezen, maar dat een verkeerde keuze uiteindelijk tot de dood kan leiden, is dat dan nog vrije wil? Kan een kind werkelijk vrij kiezen wanneer ouders sterk richting één geloof sturen? Wat als dat kind weet dat anders geloven later gevolgen kan hebben voor familie en vrienden? Wat is het verschil tussen kúnnen kiezen en je vrij vóélen om te kiezen? Welke rol spelen Satan, Armageddon en het paradijs? Is waarschuwen voor gevolgen hetzelfde als iemand onder druk zetten? Hoe vrij is de doop wanneer één levensrichting jarenlang wordt aangemoedigd? En hoe ontdek je later of je iets werkelijk gelooft of vooral bang bent voor wat je kunt verliezen als je anders kiest? Jehovah geeft mensen vrije wil Vrije wil heeft binnen het geloof van Jehovah’s Getuigen een belangrijke plaats. Mensen zouden niet als robots zijn geschapen. Jehovah wil volgens hun leer dat mensen uit eigen beweging van hem houden en hem gehoorzamen. Jozua 24:15 zegt bijvoorbeeld: ‘Kies vandaag zelf wie jullie zullen dienen.’ Ook de doop wordt als een persoonlijke keuze beschouwd. Jehovah’s Getuigen dopen geen baby’s. Iemand moet volgens hun leer zelf voldoende begrijpen, geloof ontwikkelen, zich aan Jehovah opdragen en vervolgens voor de doop kiezen. De gedachte daarachter is duidelijk: Jehovah dwingt niemand om hem te dienen. Maar wat betekent ‘vrij kiezen’ eigenlijk? Daar begint een ingewikkeldere vraag. Stel dat iemand tegen je zegt: ‘Je mag helemaal zelf kiezen. Maar als je voor optie B kiest, ga je dood.’ Er bestaan technisch gezien nog steeds twee mogelijkheden. Niemand bestuurt je lichaam en niemand verhindert je om B te kiezen. In die betekenis bestaat er keuzevrijheid. Maar vrijwel niemand zal zeggen dat de aangekondigde dood geen invloed heeft op de beslissing. Daarom is het nuttig drie vragen uit elkaar te houden: Kan ik kiezen? Welke gevolgen zijn aan mijn keuze verbonden? En hoeveel invloed hebben die gevolgen op de vrijheid waarmee ik kies? Adam en Eva mochten kiezen Het Bijbelverhaal over Adam en Eva maakt dit dilemma zichtbaar. Volgens Genesis mochten zij eten van de bomen in de tuin, met één uitzondering: de boom van de kennis van goed en kwaad. God waarschuwde Adam dat hij zou sterven als hij daarvan at. Er was dus een keuze. Vanuit de Bijbelse redenering vernietigt de consequentie de vrije wil niet. God maakte zijn norm en het gevolg bekend en de mens besliste vervolgens zelf. Een gelovige kan daarom zeggen: ‘Vrije wil betekent niet dat iedere keuze dezelfde gevolgen moet hebben.’ Dat principe kennen we ook buiten religie. Mensen mogen allerlei keuzes maken waaraan gevolgen verbonden zijn. Het bestaan van gevolgen betekent dus niet automatisch dat vrije wil verdwijnt. Toch blijft er een filosofische vraag over: als een almachtige God bepaalt dat één van de mogelijke keuzes uiteindelijk tot je dood leidt, hoe vrij is die keuze dan in psychologische zin? Kunnen kiezen en vrij kiezen zijn niet hetzelfde Iemand kan formeel een keuze hebben en tegelijkertijd sterke druk ervaren om één mogelijkheid te kiezen. Angst voor verlies, afwijzing, straf of gevaar kan zwaar meewegen zonder dat iemand letterlijk wordt gedwongen. Daarom is het nuttig onderscheid te maken tussen formele keuzevrijheid en ervaren keuzevrijheid . Formeel kun je zeggen: ‘Niemand houdt mij tegen. Ik kan nee zeggen.’ Psychologisch kan tegelijkertijd gelden: ‘Nee zeggen voelt bijna onmogelijk vanwege wat ik geloof dat er daarna gebeurt.’ Beide kunnen tegelijkertijd waar zijn. Een kind kiest niet vanuit een neutrale positie Geen enkel kind groeit volledig onbeïnvloed op. Ouders dragen waarden over, bepalen grenzen en leren hun kinderen wat zij goed en verkeerd vinden. Dat gebeurt in religieuze én niet-religieuze gezinnen. Een kind dat als Jehovah’s Getuige wordt opgevoed begint daarom meestal niet met het vergelijken van allerlei religies en levensbeschouwingen. Het leert eerst de werkelijkheid van zijn gezin kennen: dit is Jehovah, dit is de Bijbel, dit is de waarheid en dit is wat Jehovah van mensen verwacht. Dat betekent niet dat een kind later geen eigen keuze kan maken. Het betekent wel dat die keuze een lange voorgeschiedenis heeft. Sturende ouders betekenen niet automatisch dwang Ook sturing door ouders is niet automatisch verkeerd of dwingend. Iedere ouder stuurt. Ouders bepalen welke waarden zij belangrijk vinden, wat hun kind leert en welk gedrag zij aanmoedigen of begrenzen. Een JG-ouder kan bovendien oprecht geloven dat het leren kennen van Jehovah het mooiste is wat hij zijn kind kan meegeven. Vanuit dat perspectief is het logisch dat ouders hopen dat hun kind later zelf voor Jehovah kiest. De belangrijke vraag is daarom niet óf ouders invloed hebben , maar: hoeveel ruimte ervaart een kind om uiteindelijk anders te mogen denken dan zijn ouders? Een kind is afhankelijk van zijn ouders Daarin verschilt een kind van een onafhankelijke volwassene. Ouders zijn niet zomaar twee mensen met een mening. Een kind is afhankelijk van hen voor verzorging, liefde, veiligheid, bevestiging en verbondenheid. Het is bezig zijn identiteit en beeld van de werkelijkheid op te bouwen. Daarom kan de goedkeuring van ouders bijzonder zwaar wegen. Een kind wil meestal niet alleen ontdekken wat waar is; het wil ook bij zijn ouders horen en geliefd blijven. Dat betekent niet dat een kind geen eigen wil heeft. Wel betekent het dat zijn keuzes plaatsvinden binnen relaties waarvan het emotioneel en praktisch sterk afhankelijk is . ‘Je mag helemaal zelf kiezen’ Een ouder kan volkomen oprecht zeggen: ‘Jij moet uiteindelijk zelf beslissen of je Jehovah wilt dienen.’ En dat werkelijk menen. Tegelijkertijd ziet een kind vanaf jonge leeftijd welke richting wordt gewaardeerd. Het gaat mee naar bijeenkomsten, ziet filmpjes op JW.org , leert wat Jehovah blij maakt, gaat mogelijk mee in de prediking, geeft antwoorden en krijgt complimenten voor geestelijke vooruitgang. Later kan het ongedoopte verkondiger worden en uiteindelijk voor de doop kiezen. Ouders kunnen trots zijn. Gemeenteleden reageren enthousiast. Ouderlingen kunnen geestelijke vooruitgang aanmoedigen. Het kind leert daardoor niet alleen: ‘Ik mag kiezen.’ Het kan tegelijkertijd ervaren: ‘Ik weet welke keuze de mensen van wie ik houd heel gelukkig maakt.’ Positieve bevestiging is geen dwang Een compliment is geen dwang. Een ouder die hoopt dat zijn kind hetzelfde geloof krijgt, ontneemt daarmee niet automatisch diens vrije wil. En een ouderling die enthousiast is over de geestelijke ontwikkeling van een jongere hoeft hem niet te manipuleren. Iedereen wordt beïnvloed door opvoeding, cultuur en omgeving. De relevante vraag is daarom niet: ‘Ben ik beïnvloed?’ Dat zijn we allemaal. Interessanter is: ‘Hoeveel ruimte voelde ik om uiteindelijk tot een andere conclusie te komen?’ Wat gebeurt er als het kind ‘nee’ zegt? Misschien wordt vrije wil het duidelijkst wanneer we niet kijken naar het gewenste antwoord, maar naar het andere antwoord. Stel dat een jongere zegt: ‘Ik wil ongedoopte verkondiger worden.’ Dat zal binnen een JG-gezin en gemeente doorgaans als geestelijke vooruitgang worden gezien. Maar stel dat hetzelfde kind zegt: ‘Ik wil voorlopig niet verder. Ik weet eigenlijk niet of ik geloof dat dit de waarheid is.’ Kan het dan rustig twijfelen? Mag het moeilijke vragen stellen? Mag het informatie onderzoeken die de overtuiging van zijn ouders mogelijk tegenspreekt? Kan het uiteindelijk zeggen: ‘Ik geloof dit niet’ ? Blijven liefde, veiligheid en verbondenheid bestaan, ook als zijn overtuiging anders wordt? De antwoorden op zulke vragen zeggen iets over ervaren keuzevrijheid . Vrijheid wordt namelijk niet alleen zichtbaar in de mogelijkheid om ja te zeggen, maar ook in de veiligheid waarmee iemand nee kan zeggen. Wat denkt een kind dat het kan verliezen? Daar komt nog iets bij. Een kind kan weten dat religieuze keuzes later gevolgen kunnen hebben voor belangrijke relaties. Voor iemand van wie familie, vrienden en sociale leven grotendeels binnen de gemeente liggen, kan anders gaan geloven veel meer betekenen dan alleen een verschil van mening. Afhankelijk van de situatie en de religieuze keuzes die iemand maakt, kunnen relaties met gemeenteleden, vrienden en familie veranderen. Vooral na de doop kunnen bepaalde beslissingen grote sociale gevolgen krijgen. Het kind hoeft daarbij niet letterlijk te horen: ‘Als jij anders gaat geloven, verlies je ons.’ Ouders kunnen hun kind oprecht liefhebben en helemaal niet bewust met verlies dreigen. De mogelijke gevolgen kunnen voortkomen uit religieuze overtuigingen en regels die de ouders zelf eveneens als juist beschouwen. Maar voor de ervaring van het kind kunnen die gevolgen toch zwaar wegen. Twee mogelijkheden, maar niet hetzelfde gewicht Daardoor kunnen twee levensrichtingen heel verschillend gaan voelen. De ene richting kan verbonden raken aan Jehovah, de waarheid, trots van ouders, waardering vanuit de gemeente, geestelijke vooruitgang, het paradijs, eeuwig leven en behoud van de gemeenschap waarin je opgroeit . De andere kan verbonden raken aan de wereld, Satan, teleurstelling, geestelijk gevaar, Armageddon en mogelijk verandering of verlies van belangrijke relaties . Dat betekent niet dat ieder JG-kind dit zo beleeft. Het betekent ook niet dat ouders bewust al deze factoren inzetten om een keuze af te dwingen. Maar wanneer veel van deze factoren tegelijkertijd aanwezig zijn, bestaan er weliswaar twee keuzes, terwijl ze voor een kind niet hetzelfde emotionele gewicht hebben. Wanneer wordt beïnvloeding druk? Er bestaat geen eenvoudige grens waarbij normale geloofsopvoeding plotseling verandert in ‘geen vrije wil’. Invloed, sturing, sociale druk en dwang zijn verschillende dingen. Daarom is de uitspraak ‘een JG-kind heeft geen vrije wil’ te absoluut. Een kind kan een eigen wil hebben, zelf nadenken en oprecht voor Jehovah willen kiezen. Je kunt wel onderzoeken hoeveel ervaren keuzevrijheid er bestaat. Mag het twijfelen zonder bang te zijn? Mag het vragen stellen waarop ouders geen antwoord hebben? Mag het verschillende bronnen onderzoeken? Mag het tot een andere conclusie komen? Weet het dat een andere overtuiging niet betekent dat het als persoon minder waardevol is? Hoe moeilijker of kostbaarder één mogelijke conclusie wordt, hoe relevanter de vraag hoeveel ruimte er werkelijk bestaat om vrij tot die conclusie te komen. Vrije wil gaat ook over wat ‘nee’ kost Daarmee ontstaat een belangrijke kernvraag: Vrije wil gaat niet alleen over de vraag of een kind ‘nee’ mág zeggen. Het gaat ook over de vraag wat het kind gelooft dat het zal verliezen als het ‘nee’ zegt. Dat verlies kan denkbeeldig blijken, gedeeltelijk optreden of werkelijk groot worden. Voor de beslissing zelf is echter ook de verwachting van verlies belangrijk. Iemand die verwacht veel te verliezen, kan zijn keuze anders ervaren dan iemand voor wie beide uitkomsten sociaal en emotioneel veilig zijn. Armageddon maakt de keuze nog groter Binnen Jehovah’s Getuigen staat de keuze om Jehovah te dienen bovendien niet los van hun verwachting over de toekomst. Zij geloven dat Gods Koninkrijk uiteindelijk een einde zal maken aan het huidige goddeloze stelsel en dat trouw aan Jehovah verbonden is met de hoop op eeuwig leven. Voor een overtuigd volwassen Getuige is dat geen dreigmiddel, maar werkelijkheid . Vanuit dat perspectief kan waarschuwen voor Armageddon juist liefdevol zijn: als je werkelijk gelooft dat gevaar komt, waarschuw je de mensen van wie je houdt. Psychologisch blijft echter dezelfde vraag bestaan: wat gebeurt er met de vrijheid waarmee iemand zijn geloof onderzoekt wanneer hij werkelijk gelooft dat een verkeerde levenskeuze hem uiteindelijk zijn leven kan kosten? Voor een kind is dat bijzonder groot Een kind leert niet pas als volwassene over Jehovah, Satan, Armageddon en het paradijs. Die begrippen kunnen onderdeel worden van zijn wereldbeeld terwijl dat wereldbeeld nog wordt gevormd. Het kan leren dat Jehovah van mensen houdt en hun vrije wil heeft gegeven, maar ook dat Satan mensen van Jehovah probeert weg te trekken, dat de wereld onder zijn invloed staat, dat God een einde aan het huidige stelsel zal maken en dat trouwe aanbidders de hoop hebben eeuwig in het paradijs te leven. Voor een kind kan daardoor een krachtig contrast ontstaan: Jehovah → veiligheid → paradijs → eeuwig leven tegenover Satan en de wereld → gevaar → Armageddon → dood . Dat hoeft niet te betekenen dat ouders hun kind bewust bang proberen te maken. Zij kunnen volledig overtuigd zijn dat zij hun kind juist beschermen. Maar voor de ontwikkeling van het kind blijft de vraag relevant: hoeveel emotioneel gewicht krijgt daardoor de keuze die later ‘vrij’ moet worden gemaakt? Kun je vrij onderzoeken als de verkeerde conclusie de dood kan betekenen? Stel dat iemand begint te twijfelen. Hij wil eerlijk onderzoeken: ‘Is dit werkelijk waar?’ Tegelijkertijd kan een andere gedachte opkomen: Wat als mijn twijfel door Satan wordt beïnvloed? Wat als ik Jehovah verlaat? Wat als Armageddon komt en ik de verkeerde keuze heb gemaakt? Dan gaat het onderzoek niet alleen over argumenten en feiten. In de beleving van die persoon staat uiteindelijk zijn leven op het spel. Dat betekent niet dat iemand door angst niet meer rationeel kan nadenken. Het betekent wel dat angst invloed kan hebben op welke informatie iemand durft te bekijken, hoeveel onzekerheid hij verdraagt en hoe veilig het voelt om werkelijk open te laten welke conclusie uit zijn onderzoek komt. ‘Maar iedere keuze heeft consequenties’ Een Jehovah’s Getuige kan hier een belangrijk tegenargument geven: vrije wil betekent niet vrijheid van consequenties. Als iemand gevaarlijk gedrag kiest, verdwijnen de gevolgen daarvan niet omdat de keuze vrijwillig was. Vanuit het geloof kan Gods waarschuwing vergelijkbaar worden gezien: Jehovah vertelt mensen wat de werkelijkheid is en welke levensweg tot leven leidt. De waarschuwing is dan geen bedreiging, maar bescherming. Dat perspectief verdient een plaats in de discussie. Maar voor iemand die juist probeert te onderzoeken of die voorstelling van de werkelijkheid waar is , ontstaat een bijzondere situatie: hij moet beoordelen of de waarschuwing klopt, terwijl hij tegelijkertijd heeft geleerd dat het levensgevaarlijk kan zijn om tot de conclusie te komen dat de waarschuwing níét klopt. Een gedachte-experiment Daarom kan een eenvoudige denkproef veel zichtbaar maken. Stel je voor dat je precies dezelfde religieuze keuze opnieuw mocht maken, maar zonder de gevolgen die je vreest: geen Armageddon als je tot de verkeerde conclusie komt, geen paradijs dat je kunt mislopen, geen angst dat Jehovah je afwijst en geen verlies van familie of vrienden doordat je tot een andere overtuiging komt. Je mag alles onderzoeken en beide conclusies zijn sociaal veilig. Stel jezelf dan één vraag: Zou ik nog steeds dezelfde geloofskeuze maken? Wanneer het antwoord overtuigd ja is, zegt dat iets belangrijks. Je overtuiging lijkt dan niet uitsluitend afhankelijk van angst voor de gevolgen. Wanneer het antwoord verandert of je merkt dat je het niet weet, bewijst dat niet dat Jehovah’s Getuigen ongelijk hebben. Het laat wel zien dat de verwachte gevolgen onderdeel van je beslissing zijn geworden . ‘De waarheid’ beïnvloedt de keuze Ook taal kan invloed hebben. Een kind van Jehovah’s Getuigen leert meestal niet alleen: ‘Dit is het geloof van mijn ouders.’ Het kan opgroeien met de formulering: ‘Dit is de waarheid.’ Daardoor kan de latere vraag niet alleen voelen als: ‘Geloof ik nog in de religie waarin ik ben opgevoed?’ maar als: ‘Blijf ik in de waarheid of verlaat ik de waarheid?’ In die formulering is één conclusie al als waarheid benoemd. De andere mogelijkheid wordt daarmee niet alleen een andere religieuze overtuiging, maar het verlaten van iets wat waar is . En daarbuiten ligt ‘de wereld’ Aan de andere kant bevindt zich binnen het JG-taalgebruik ‘de wereld’ . Jehovah’s Getuigen leren dat christenen geen deel van de wereld moeten zijn en dat de wereld onder invloed van Satan staat. Voor iemand die daarmee opgroeit kan een andere levensrichting daardoor veel groter voelen dan: ‘Ik kies een andere levensbeschouwing.’ Het kan emotioneel voelen als een beweging van de waarheid naar de wereld , van Jehovah naar een wereld onder Satans invloed , en van de hoop op eeuwig leven naar mogelijke vernietiging . Ook hier geldt: niet iedere Jehovah’s Getuige ervaart dit op dezelfde manier. Maar voor iemand die deze overtuigingen diep gelooft, kunnen de mogelijke gevolgen enorm voelen. Vrije wil en het geweten Daar komt het geweten bij. Een kind kan aanvankelijk van ouders, filmpjes, bijeenkomsten en andere volwassenen horen: ‘Wat zou Jehovah hiervan vinden?’ Na verloop van tijd hoeft niemand dat meer te zeggen. Het kind stelt de vraag aan zichzelf. De religieuze norm is geïnternaliseerd. Dat is niet automatisch ongezond. Alle kinderen internaliseren normen. Maar het betekent wel dat invloed van buitenaf uiteindelijk kan gaan voelen als een volledig eigen innerlijke stem. Daarom kunnen twee uitspraken tegelijkertijd waar zijn: ‘Dit was echt mijn keuze.’ en: ‘Mijn opvoeding heeft sterk gevormd welke keuze voor mij vanzelfsprekend voelde.’ In de psychologie wordt het bredere proces waarbij mensen normen, waarden, taal en overtuigingen uit hun omgeving leren socialisatie genoemd. Dat proces vindt in ieder gezin en iedere cultuur plaats. De relevante vraag is niet óf iemand gesocialiseerd is, maar of hij later ruimte ervaart om wat vanzelfsprekend is geworden opnieuw te onderzoeken. Lees ook in A-Z Encyclopedie van de Psychologie: S - Socialisatie - Hoe worden normen, waarden en overtuigingen onderdeel van wat vanzelfsprekend voelt? ‘Ik wilde het écht zelf’ Dat geldt ook voor de doop. Een jongere kan volledig oprecht zeggen: ‘Ik wil mij laten dopen.’ Dat verlangen hoeft niet nep of afgedwongen te zijn. Maar een oprechte wens kan tegelijkertijd gevormd zijn door jarenlange opvoeding. Dat gebeurt ook buiten religie. Kinderen nemen waarden, ambities en verwachtingen over van de mensen om hen heen. Daarom is ‘Ik wilde het zelf’ niet noodzakelijk het einde van het onderzoek. Je kunt ook vragen: ‘Hoe is ontstaan wat ik zelf wilde?’ De doop maakt vrije wil extra belangrijk Jehovah’s Getuigen dopen geen baby’s, maar minderjarigen kunnen wel gedoopt worden. Volgens de leer is die beslissing vrijwillig en persoonlijk. Vooraf zijn er vaak al veel kleinere stappen geweest: Bijbelonderwijs thuis, bijeenkomsten, antwoorden geven, prediking, persoonlijke studie, geestelijke doelen en mogelijk ongedoopte verkondiger worden. Geen van die stappen hoeft op zichzelf gedwongen te zijn. Samen kunnen ze wel een duidelijke ontwikkelingsrichting vormen: dit is waar je naartoe groeit. Een jongere kan dus werkelijk zelf voor de doop kiezen én sterk gevormd zijn door de omgeving waarin die keuze tot stand kwam. Die twee dingen sluiten elkaar niet uit. Vrije wil geldt ook ná de doop Een keuze is niet alleen vrij wanneer iemand hem mag maken. Het is ook relevant wat er gebeurt wanneer iemand die keuze later wil herzien . Iemand kan als jongere volledig overtuigd voor de doop kiezen en jaren later, na nieuwe ervaringen en onderzoek, tot een andere conclusie komen. Is ook die tweede beslissing onderdeel van zijn vrije wil? Vanuit het geloof blijft iemand verantwoordelijk voor zijn eigen keuzes. Tegelijk kunnen bepaalde keuzes na de doop religieuze en sociale gevolgen krijgen. De vrijheid om ‘ja’ te zeggen is daarom niet automatisch hetzelfde als de vrijheid om dat ‘ja’ later opnieuw te onderzoeken. Daarom kun je vrije wil niet alleen onderzoeken met de vraag: ‘Hoe vrij was ik om ja te zeggen?’ Ook deze vraag hoort erbij: ‘Hoe vrij voelde ik mij later om nee te zeggen?’ Als anders denken mensen kan kosten Voor iemand van wie bijna het hele sociale netwerk binnen de gemeente ligt, kan een verandering van overtuiging grote gevolgen hebben. Geloof is dan verweven met familie, vrienden, identiteit en gemeenschap. Dat betekent niet dat iedere voormalige Jehovah’s Getuige iedereen verliest. De gevolgen verschillen sterk per situatie, familie en reden waarom iemand niet meer tot de gemeente behoort. Maar wanneer iemand verwacht belangrijke mensen te kunnen verliezen, is dat psychologisch relevant. Mensen hebben een fundamentele behoefte aan verbondenheid. Het vooruitzicht ouders, kinderen, broers, zussen of goede vrienden anders te gaan zien of minder contact met hen te hebben, kan zwaar wegen. De keuze bestaat nog steeds. Maar de prijs van de keuze kan invloed hebben op hoe vrij die keuze voelt . De verwachting van uitsluiting kan al meewegen Wanneer iemand verwacht belangrijke relaties of een groot deel van zijn sociale netwerk te verliezen, kan ook de angst voor sociale uitsluiting onderdeel worden van zijn beslissing. In de psychologie wordt buitensluiten of sociaal negeren ostracisme genoemd. Langdurige sociale uitsluiting kan fundamentele behoeften raken, zoals verbondenheid, eigenwaarde, controle en het gevoel ertoe te doen . Niet alleen daadwerkelijke uitsluiting is daarom relevant voor een keuze. Ook de verwachting: ‘Wat gebeurt er met mijn familie, vrienden en gemeenschap als ik anders ga geloven?’ kan al zwaar meewegen voordat iemand überhaupt een beslissing heeft genomen. Dat betekent niet dat iemand daardoor geen vrije wil meer heeft. Het betekent wel dat sociale gevolgen onderdeel kunnen worden van de omstandigheden waaronder die vrije keuze moet worden gemaakt. Lees ook in A-Z Encyclopedie van de Psychologie: O - Ostracisme - Wat doet langdurige sociale uitsluiting met een mens? Sociale invloed hoeft geen dwang te zijn Een groot deel van menselijke beïnvloeding gebeurt zonder bevel, straf of expliciete dreiging. We letten op wat belangrijke mensen van ons vinden, welk gedrag waardering krijgt, wat binnen een groep normaal is en welke keuzes anderen maken. Dat gebeurt in gezinnen, vriendengroepen, scholen, bedrijven, sportclubs en religieuze gemeenschappen. Daarom hoeft de constatering: ‘Mijn omgeving heeft mijn keuze beïnvloed’ niet hetzelfde te betekenen als: ‘Mijn omgeving heeft mij gedwongen.’ Tussen volledige autonomie en dwang ligt een groot gebied van sociale invloed . Juist daar wordt de vraag interessant hoeveel ruimte iemand ervaart om uiteindelijk iets anders te kiezen dan de mensen die voor hem belangrijk zijn. Lees ook in A-Z Encyclopedie van de Psychologie: S - Sociale invloed - Hoe beïnvloeden andere mensen onze keuzes zonder dat er sprake hoeft te zijn van dwang? Wat als iemand na onderzoek opnieuw voor Jehovah kiest? Vrij onderzoek hoeft niet tot vertrek te leiden. Dat is belangrijk. Iemand kan als Jehovah’s Getuige zijn opgevoed, vervolgens als volwassene zijn overtuigingen kritisch onderzoeken en uiteindelijk concluderen: ‘Ik heb andere mogelijkheden bekeken en ik geloof nog steeds dat dit de waarheid is. Ik wil Jehovah’s Getuige blijven.’ Die keuze kan juist meer persoonlijke betekenis krijgen doordat de persoon weet dat hij zichzelf toestemming heeft gegeven ook een andere conclusie te overwegen. Een vrije keuze hoeft dus niet te betekenen dat iemand zijn geloof verlaat. Het gaat erom dat de uitkomst van het onderzoek niet vooraf vast hoeft te staan . En als de conclusie verandert? Hetzelfde geldt andersom. Iemand kan na onderzoek concluderen dat hij Jehovah nog wel gelooft maar anders over de organisatie denkt. Iemand anders kiest voor een andere vorm van christendom. Weer een ander wordt agnost of atheïst. En iemand kan eenvoudig zeggen: ‘Ik weet het niet.’ Geen van die uitkomsten bewijst op zichzelf dat iemand vrijer of verstandiger heeft gedacht. De belangrijkere vraag is: kon iemand werkelijk onderzoeken, twijfelen, informatie vergelijken en uiteindelijk ook een conclusie toelaten die zijn omgeving niet had gehoopt? Angst kan blijven nadat je overtuiging verandert Voor sommige voormalige Jehovah’s Getuigen ontstaat nog iets bijzonders. Ze geloven rationeel niet meer in Armageddon, maar kunnen bij oorlog, natuurrampen of wereldnieuws plotseling toch denken: ‘Wat als ze gelijk hebben?’ Dat gevoel bewijst niet automatisch dat iemand diep vanbinnen weet dat het geloof waar is. Een dreiging die jarenlang als werkelijk is beleefd kan een sterke emotionele associatie achterlaten. Een verstandelijke overtuiging kan sneller veranderen dan een automatische angstreactie. Dan kan het helpen onderscheid te maken tussen: Wat voel ik? Wat heb ik geleerd? Wat geloof ik vandaag en waarop baseer ik dat? Wanneer zulke angst ernstig blijft of het dagelijks functioneren belemmert, kan professionele psychologische hulp passend zijn. Vrijheid is niet automatisch het tegenovergestelde doen Ontdekken hoeveel invloed je opvoeding heeft gehad betekent niet dat je voortaan het tegenovergestelde moet kiezen. Als je vroeger A deed omdat de gemeente A verwachtte en je doet nu automatisch B omdat je je tegen de gemeente wilt afzetten, bepaalt dezelfde oude tegenstelling nog steeds je keuze. Vrijheid kan veel rustiger zijn: ‘Ik bekijk A en B opnieuw. Daarna bepaal ik wat ik geloof en welke keuze werkelijk bij mijn waarden past.’ Misschien behoud je veel uit je religieuze opvoeding. Misschien verandert er veel. Misschien kom je uiteindelijk opnieuw bij dezelfde overtuiging uit. Vrije wil schrijft geen uitkomst voor. Wanneer is een keuze dan werkelijk vrij? Volledig onbeïnvloed kiezen bestaat waarschijnlijk niet. Niemand kan zijn opvoeding, cultuur, ervaringen, emoties en relaties uitschakelen. Daarom is een betere maatstaf misschien niet: ‘Heeft niemand mij beïnvloed?’ maar: ‘Kan ik mijn invloeden herkennen en mijn overtuiging toch opnieuw onderzoeken?’ Kun je informatie bekijken die je overtuiging mogelijk tegenspreekt? Mag je twijfelen zonder jezelf onmiddellijk als slecht te zien? Kun je een andere conclusie overwegen zonder dat angst het onderzoek meteen beëindigt? Kun je onderscheid maken tussen wat je gelooft en wat je vreest? Kun je anders denken dan je ouders zonder bang te zijn hun liefde te verliezen? En voelt een andere uitkomst psychologisch werkelijk mogelijk? Hoe meer ruimte daarvoor bestaat, hoe meer een uiteindelijke keuze werkelijk als jouw keuze kan worden ervaren. Om zelf over na te denken Wat betekende ‘vrije wil’ in mijn opvoeding? Welke geloofskeuze werd vanaf mijn jeugd het meest aangemoedigd? Hoe reageerden mijn ouders wanneer ik geestelijke vooruitgang maakte? Hoe reageerden zij wanneer ik twijfelde of iets niet wilde? Kon ik mij als kind werkelijk voorstellen dat ik later geen Jehovah’s Getuige zou worden? Wat dacht ik dat er zou gebeuren als ik Jehovah niet zou dienen? Welke rol speelden Satan, Armageddon en het paradijs in mijn keuzes? Voelde ik dat ik mijn ouders of andere belangrijke mensen kon teleurstellen? Dacht ik dat anders geloven gevolgen kon hebben voor mijn relaties? Was ik vooral vrij om ‘ja’ te zeggen, of voelde ik mij ook veilig genoeg om ‘nee’ te zeggen? Als ik gedoopt ben: hoe oud was ik en wat begreep ik toen van de betekenis en mogelijke gevolgen? Voelde ik mij later even vrij om mijn keuze opnieuw te onderzoeken als ik mij vroeger voelde om haar te maken? Zou ik dezelfde geloofskeuze maken als Armageddon, het paradijs en mogelijke sociale gevolgen geen rol speelden? Wat geloof ik wanneer ik angst voor de gevolgen even los probeer te zien van de vraag wat waar is? Welke overtuigingen voelen werkelijk van mij en welke zijn zo vanzelfsprekend geworden dat ik ze nooit apart heb onderzocht? Als niemand van wie ik houd teleurgesteld zou zijn wanneer mijn conclusie veranderde, zou ik dan hetzelfde geloven? En als ik na vrij onderzoek opnieuw voor Jehovah kies, voelt die keuze dan misschien juist meer van mijzelf? Tot slot Jehovah’s Getuigen geloven dat Jehovah mensen vrije wil heeft gegeven en niemand dwingt hem te dienen. Vanuit die geloofsopvatting betekent vrije wil niet dat iedere keuze dezelfde gevolgen heeft. Mensen mogen kiezen, maar zijn ook verantwoordelijk voor hun keuzes. Tegelijk is een kind geen onafhankelijke volwassene die vanuit een neutrale positie verschillende levensbeschouwingen vergelijkt. Het wordt opgevoed door ouders van wie het afhankelijk is, leert wat zij geloven dat waar is, ervaart welke keuzes worden aangemoedigd en bouwt vaak een groot deel van zijn sociale wereld binnen dezelfde gemeenschap op. Daar kunnen overtuigingen over Satan, Armageddon, het paradijs en eeuwig leven bijkomen. Later kan bovendien het besef ontstaan dat anders geloven gevolgen kan hebben voor belangrijke relaties. Geen van deze factoren bewijst afzonderlijk dat een keuze niet vrijwillig is. Maar samen vormen ze wel de sociale, emotionele en religieuze omstandigheden waarin die keuze wordt gemaakt . Daarom gaat vrije wil niet alleen over: ‘Kon ik kiezen?’ Maar ook over: ‘Wat dacht ik dat er zou gebeuren als ik anders koos?’ En bij een kind misschien nog fundamenteler: ‘Mocht ik alleen zelf kiezen — of voelde ik mij ook veilig genoeg om anders te kiezen dan mijn ouders?’ Uiteindelijk komt daar de moeilijkste vraag bij: ‘Als ik niet bang hoefde te zijn voor Gods afkeuring, Armageddon, de dood of het verlies van mensen van wie ik houd, wat zou ik dan werkelijk geloven?’ Bronnen Nieuwewereldvertaling - Genesis 2:16, 17; Deuteronomium 30:19, 20; Jozua 24:15; Johannes 17:14-16; 1 Johannes 5:19; 1 Petrus 5:8 JW.org - publicaties over vrije wil en waarom God mensen vrije wil heeft gegeven JW.org - publicaties over Armageddon, eeuwig leven en het paradijs JW.org - publicaties over doop, persoonlijke opdracht aan Jehovah en geloofsopvoeding JW.org - Word Jehovah’s vriend - materiaal voor kinderen over keuzes en Jehovah blij maken Watchtower Online Library - publicaties over vrije wil, jeugd, doop en geestelijke doelen American Psychological Association - informatie over ontwikkeling, sociale invloed, verbondenheid, angst en besluitvorming Albert Bandura - Social Learning Theory Edward L. Deci & Richard M. Ryan - Self-Determination Theory Roy F. Baumeister & Mark R. Leary - The Need to Belong Kipling D. Williams - onderzoek naar ostracisme en sociale uitsluiting Zie ook in A-Z Begrippenlijst Jehovah’s Getuigen D - De waarheid - Wat doet het met een keuze wanneer één overtuiging vanaf je jeugd ‘de waarheid’ wordt genoemd? D - Doop - Wanneer wordt een persoonlijke geloofskeuze een religieuze verbintenis? G - Geloofsopvoeding - Hoe wordt het geloof van een kind vanaf jonge leeftijd gevormd? G - Geweten - Hoe ontstaat de innerlijke stem waarmee je eigen keuzes beoordeelt? S - Satan - Welke invloed kan geloof in Satan en geestelijk gevaar op keuzes hebben? V - Verwijdering - Wat gebeurt er wanneer een latere geloofskeuze ook sociale gevolgen krijgt? W - Werelds - Wat doet de tegenstelling tussen ‘de waarheid’ en ‘de wereld’ met ervaren keuzevrijheid? Zie ook in A-Z Encyclopedie van de Psychologie O - Ostracisme - Wat doet langdurige sociale uitsluiting met een mens? S - Socialisatie - Hoe worden normen, waarden en overtuigingen onderdeel van wat vanzelfsprekend voelt? S - Sociale invloed - Hoe beïnvloeden andere mensen onze keuzes zonder dat er sprake hoeft te zijn van dwang?