Kennisbibliotheek › Ik ben Jehovah's getuige
Geloofsopvoeding en vrije wil: hoe vrij is de keuze van een kind?
Hoe vrij is een geloofskeuze wanneer geloof, gezin, identiteit en toekomst met elkaar verbonden zijn?
Herkenbare vragen Hoe ontstaat geloof bij een kind? Hoeveel invloed hebben ouders, vrienden en de geloofsgemeenschap op wat vanzelfsprekend waar voelt? Kun je vrij kiezen wanneer de ene keuze je ouders blij maakt en de andere verdrietig? Welke rol kunnen Jehovah, Satan, Armageddon en het paradijs spelen in die keuze? Is ‘niemand heeft mij gedwongen’ hetzelfde als volledige keuzevrijheid? Kunnen ouders hun geloof overtuigend doorgeven én hun kind werkelijk ruimte geven om later anders te denken? Hoe kun je als volwassene terugkijken op je eigen geloofsopvoeding? Jehovah’s Getuigen hechten veel waarde aan vrije wil. Volgens hun officiële uitleg heeft Jehovah mensen vrije wil gegeven: het vermogen om zelf beslissingen te nemen. Hun publicaties zeggen ook expliciet dat Jehovah mensen niet dwingt hem te dienen en dat ieder mens uiteindelijk zelf moet kiezen of hij Jehovah wil dienen. Jehovah’s Getuigen dopen daarom geen baby’s. Volgens JW.org moet iemand die zich wil laten dopen oud genoeg zijn om te begrijpen wat de Bijbel leert, erin te geloven en zelf de beslissing te nemen ernaar te leven. Voor kinderen die als Jehovah’s Getuige worden opgevoed gelden volgens de organisatie dezelfde stappen als voor anderen: wanneer ze ouder worden, moeten ze zelf de Bijbelse kennis aanvaarden en toepassen voordat ze gedoopt kunnen worden. Dat klinkt logisch. Maar bij een kind dat vanaf zijn geboorte als Jehovah’s Getuige wordt opgevoed, ontstaat daarnaast een interessante psychologische vraag: Hoe vrij voelt een religieuze keuze wanneer één van de keuzes vanaf je geboorte verbonden is met bijna alles en iedereen van wie je houdt? Dit artikel gaat niet over de vraag of ouders hun geloof aan hun kinderen mogen doorgeven. Natuurlijk doen ouders dat. Religieuze én niet-religieuze ouders geven waarden, normen en overtuigingen mee. De interessantere vraag is: Wat heeft een kind nodig om uiteindelijk werkelijk te kunnen zeggen: dit is míjn overtuiging? Je begint niet op nul Een kind dat opgroeit als Jehovah’s Getuige kan jarenlang naar de Koninkrijkszaal gaan voordat het oud genoeg is om zelfstandig uitgebreid te onderzoeken wat het zelf gelooft. Het gaat mee naar vergaderingen, hoort gebeden, ziet de prediking, bezoekt congressen en krijgt Bijbelonderwijs. Dat is niet alleen een observatie van buitenaf. De eigen publicaties van Jehovah’s Getuigen moedigen ouders aan hun kinderen vanaf hun geboorte Bijbels onderwijs te geven. Een Wachttoren uit 2018 zegt dat christelijke ouders hun kinderen vanaf hun geboorte moeten onderwijzen met het doel hen te helpen gedoopte discipelen van Christus te worden. Diezelfde publicatie zegt tegelijkertijd dat ouders hun kinderen niet onder druk moeten zetten om zich te laten dopen. Kinderen ontwikkelen zich volgens de publicatie niet allemaal in hetzelfde tempo en ouders moeten rekening houden met de individuele ontwikkeling van hun kind. Dat onderscheid is belangrijk. Het kind leert wie Jehovah is. Het hoort over Satan, het paradijs en Armageddon. Het leert wat met ‘de waarheid’ wordt bedoeld en dat christenen volgens de JW-uitleg geen deel van ‘de wereld’ zijn. Binnen diezelfde geloofswereld bevinden zich vaak de belangrijkste mensen in het leven van een kind. Papa en mama geloven het. Broers en zussen misschien ook. Opa en oma misschien. Vriendjes zitten mogelijk in de gemeente. Ouderlingen zijn vertrouwde volwassenen. Op congressen ziet het kind duizenden mensen die hetzelfde geloven. Een kind kiest later dus niet tussen twee onbekende religies die neutraal naast elkaar liggen. Eén overtuiging is al jarenlang verbonden met thuis, veiligheid, familie, vrienden, God en toekomst . Dat betekent niet dat het geloof daarom onwaar is. Maar het betekent wel dat de omstandigheden waarin iemand tot geloof komt invloed kunnen hebben op wat vanzelfsprekend en waar voelt. Wat als je in een ander gezin was geboren? Stel dat precies hetzelfde kind niet in een gezin van Jehovah’s Getuigen was geboren, maar in een streng katholiek gezin in Polen. Wat zou het waarschijnlijk geloven? Of wanneer het was opgegroeid in een islamitisch gezin in Saoedi-Arabië? Of bij mormoonse ouders in Utah? Waarschijnlijk zou dat kind veel overtuigingen van zijn ouders aanvankelijk als vanzelfsprekend ervaren. Dat bewijst niet dat al die overtuigingen verkeerd zijn. Het bewijst ook niet dat het geloof van Jehovah’s Getuigen verkeerd is. Maar het laat wel iets belangrijks zien: Waar we geboren worden en wie ons opvoedt, heeft grote invloed op wat aanvankelijk als vanzelfsprekende waarheid voelt. Dan ontstaat een vraag die niet alleen voor Jehovah’s Getuigen geldt: Geloof ik iets omdat ik het onafhankelijk heb onderzocht, of voelt het waar omdat het de wereld is waarin ik heb leren denken? De twee mogelijkheden voelen niet hetzelfde Stel dat een meisje van vijftien tegen haar ouders zegt: ‘Ik wil Jehovah graag dienen.’ Haar ouders zijn waarschijnlijk blij. Misschien krijgt ze complimenten. Mensen in de gemeente moedigen haar aan. Haar ouders zijn trots wanneer ze geestelijke vooruitgang maakt. Stel dat hetzelfde meisje een paar maanden later zegt: ‘Ik weet eigenlijk niet of ik geloof dat Jehovah’s Getuigen de waarheid hebben.’ Formeel heeft ze nog steeds een keuze. Maar emotioneel kan die tweede mogelijkheid heel anders voelen. Haar ouders kunnen verdrietig worden. Misschien worden ze bang. Niet noodzakelijk omdat ze hun dochter willen beheersen. Ze kunnen oprecht geloven dat haar verhouding met Jehovah en haar toekomst op het spel staan. Het meisje hoeft helemaal niet te horen: ‘Je mag dit niet denken.’ Misschien ziet ze alleen de blik van haar moeder. En dat kan genoeg zijn om te denken: Wat doe ik mijn ouders aan als ik dit niet meer geloof? Kinderen zijn gevoelig voor de goedkeuring van hun ouders. Dat is niet typisch voor Jehovah’s Getuigen. Dat hoort bij opgroeien. Daardoor zijn twee formeel mogelijke keuzes niet noodzakelijk twee emotioneel even veilige keuzes . Maak ik papa en mama verdrietig? Stel dat een kind zegt: ‘Ik wil meer in de velddienst.’ Dat kan waardering opleveren. ‘Ik wil me later laten dopen.’ Trots. ‘Ik wil Jehovah altijd dienen.’ Blijdschap. Dat sluit bovendien aan bij het doel dat de eigen JW-literatuur aan ouders meegeeft: hun kind helpen een discipel te worden en uiteindelijk, wanneer het daar zelf klaar voor is, zich aan Jehovah op te dragen en te laten dopen. Maar stel dat het kind zegt: ‘Ik weet niet of ik dit geloof.’ Of: ‘Ik wil ook lezen wat mensen buiten de organisatie hierover zeggen.’ Of uiteindelijk: ‘Ik denk dat ik geen Jehovah’s Getuige wil worden.’ Dan kan de reactie anders zijn. Niet omdat de ouders slechte mensen zijn. Juist omdat ze zoveel van hun kind houden, kan het pijn doen. Maar voor het kind ontstaat daardoor mogelijk een tweede probleem. Het hoeft niet meer alleen te onderzoeken: Wat geloof ik eigenlijk? Het moet ook omgaan met: Hoeveel verdriet veroorzaak ik als mijn antwoord anders is dan dat van mijn ouders? Dan kunnen liefde, loyaliteit en geloof onbedoeld met elkaar verweven raken. En dan is er nog Jehovah Voor een JG-kind gaat het bovendien niet alleen over papa en mama. Jehovah kan voor dat kind volkomen werkelijk zijn. Wanneer een kind leert dat Jehovah zijn volk leidt en dat de organisatie door hem wordt gebruikt, kan twijfel aan de organisatie daardoor veel groter voelen dan kritiek op een gewone menselijke instelling. Een kind kan zich afvragen: Ben ik opstandig? Maak ik Jehovah verdrietig? Is dit een verkeerde gedachte? Ben ik geestelijk zwak? Probeert Satan mij te beïnvloeden? Wat als ik Jehovah verlies? Wat gebeurt er bij Armageddon? Zie ik mijn familie straks nog in het paradijs? Dat kan onderzoek een bijzondere lading geven. Je onderzoekt dan niet alleen: ‘Klopt dit?’ Je kunt tegelijkertijd bang zijn voor wat er gebeurt wanneer het antwoord ‘nee’ blijkt te zijn. Hoe vrij is een keuze als één weg veilig voelt? Stel dat je een kind twee wegen laat zien. Bij de eerste weg horen in zijn beleving misschien: Jehovah, papa en mama, vrienden, de gemeente, het paradijs, eeuwig leven en erbij horen. Bij de andere weg kunnen begrippen zijn komen te staan als: de wereld, Satan, geestelijk gevaar, Armageddon en verlies. Vervolgens zeg je: ‘Jij mag helemaal zelf kiezen.’ Volgens de officiële leer van Jehovah’s Getuigen moet iemand die keuze inderdaad uiteindelijk zelf maken. JW.org zegt expliciet dat kinderen wanneer ze ouder worden zelf moeten beslissen of ze de Bijbelse kennis aanvaarden en toepassen en dat uiteindelijk iedereen zelf een beslissing moet nemen over aanbidding. Maar daarmee blijft een psychologische vervolgvraag bestaan: Voelen beide mogelijkheden voor het kind ook even toegankelijk? Dat is een andere vraag dan: ‘Heeft iemand het kind letterlijk gedwongen?’ Geen letterlijke dwang ervaren betekent niet automatisch dat een keuze vrij is van sociale en emotionele beïnvloeding. En dat geldt niet alleen voor religie. Mensen worden voortdurend beïnvloed door hun gezin, cultuur, vrienden en omgeving. De wereld buiten de gemeente JG-kinderen zitten doorgaans gewoon op school. Ze hebben leraren, klasgenoten en mensen om zich heen die geen Jehovah’s Getuigen zijn. Het zou dus overdreven zijn om te zeggen dat zij letterlijk van de buitenwereld worden afgesloten. Tegelijkertijd leren zij dat christenen ‘geen deel van de wereld’ zijn. Ze vieren bepaalde feestdagen en verjaardagen niet en leren voorzichtig te zijn met wat binnen hun geloof als slechte omgang wordt beschouwd. Een kind kan dus aardige klasgenoten hebben en tegelijkertijd het gevoel ontwikkelen dat de werkelijk veilige geestelijke omgeving zich binnen de gemeente bevindt. Ook dat kan later invloed hebben op een geloofskeuze. Want om twee manieren van leven werkelijk te kunnen vergelijken, moet je ze allebei enigszins zonder angst kunnen bekijken. Rapunzel en de open deur Daarom vind ik Rapunzel een interessante vergelijking. Niet omdat JG-ouders hun kinderen bewust in een toren opsluiten. Integendeel. Veel ouders geloven oprecht dat ze hun kind beschermen tegen iets gevaarlijks. Maar stel je een kind voor dat zijn hele jeugd hoort dat buiten de toren gevaren bestaan. Op een dag wordt de deur geopend: ‘Nu mag je zelf kiezen.’ De deur staat werkelijk open. Maar is daarmee alles wat het kind jarenlang over de wereld buiten de toren heeft geleerd verdwenen? Nee. Het kind neemt die waarschuwingen mee naar buiten. De grens hoeft daardoor niet langer fysiek aanwezig te zijn. De grens kan van buiten naar binnen zijn verhuisd. Identiteit en geloof kunnen in elkaar groeien Tijdens het opgroeien ontstaat identiteit. Wie ben ik? Waar hoor ik bij? Wat vind ik goed en slecht? Wat geloof ik? Wie zijn mijn vrienden? Met wie wil ik later een relatie? Wat wil ik van mijn leven maken? Wanneer veel antwoorden op die vragen verbonden zijn met één geloofsgemeenschap, wordt geloof meer dan een verzameling leerstellingen. Het wordt onderdeel van wie je bent . Je gezin. Je vrienden. Je moraal. Je sociale netwerk. Je toekomstbeeld. Je beeld van God. Daarom kan geloofstwijfel zo ontwrichtend voelen. Het is dan niet noodzakelijk alleen: ‘Ik ben over één leerstelling van mening veranderd.’ Het kan voelen als: ‘Als dit niet waar is, wie ben ik dan nog?’ ‘Niemand heeft mij gedwongen’ Veel mensen die religieus zijn opgevoed kunnen volledig terecht zeggen: ‘Mijn ouders hebben mij nooit gedwongen.’ Dat kan absoluut waar zijn. Sterker nog: de officiële instructie aan JG-ouders zegt zelf dat zij hun kinderen niet onder druk moeten zetten om zich te laten dopen. Maar beïnvloeding is breder dan dwang. Een glimlach. Een compliment. Trots wanneer je antwoord geeft tijdens de vergadering. Samen in de velddienst. Andere jongeren die geestelijke doelen stellen. Blijdschap wanneer iemand geestelijke vooruitgang maakt. Teleurstelling wanneer iemand afstand neemt. De hoop van je ouders dat jij altijd Jehovah zult dienen. Geen van deze dingen hoeft op zichzelf verkeerd te zijn. Veel ervan kan juist voortkomen uit liefde. Maar samen vormen ze wel de sociale en emotionele omgeving waarin een kind zijn identiteit en overtuigingen ontwikkelt. Daarom vertelt de zin: ‘Niemand heeft mij gedwongen’ niet noodzakelijk het volledige verhaal over hoe een overtuiging is ontstaan. Dit gaat niet over slechte ouders Dit onderscheid is belangrijk. JG-ouders zijn niet automatisch ouders die bewust hun kinderen willen controleren. Sterker nog: de eigen publicaties leggen ouders zowel het doel voor om hun kinderen richting discipelschap en doop te begeleiden als de opdracht om hen niet onder druk te zetten. Stel dat jij moeder bent en werkelijk gelooft dat Jehovah’s Getuigen de waarheid hebben. Je zoon zegt: ‘Mam, ik geloof het niet meer.’ Je houdt ontzettend veel van hem. Maar tegelijkertijd geloof je misschien dat zijn toekomst bij Jehovah in gevaar is. Misschien denk je: Wat heb ik verkeerd gedaan? Had ik meer gezinsaanbidding moeten doen? Heb ik hem onvoldoende beschermd? Wie heeft hem beïnvloed? Misschien lig je wakker. Misschien bid je. Misschien denk je aan Armageddon. Misschien stel je je het paradijs voor zonder je eigen kind. Dan ervaart de ouder óók druk . Dat maakt de werkelijkheid veel ingewikkelder dan een verhaal over slechte religieuze ouders tegenover kwetsbare kinderen. Soms kunnen twee mensen enorm veel van elkaar houden en tegelijkertijd allebei bang zijn elkaar kwijt te raken. Maar ouder en kind hebben niet dezelfde positie Toch zijn de rollen niet gelijk. De ouder is volwassen. Het kind is afhankelijk van de ouder. Daarom ligt bij de ouder een grotere verantwoordelijkheid om ruimte te maken voor de ontwikkeling van het kind. Een kind zou niet hoeven denken: ‘Ik moet dit blijven geloven, anders maak ik mama kapot.’ Een ouder mag verdrietig zijn. Een ouder mag hopen dat zijn kind Jehovah blijft dienen. Een ouder mag diep overtuigd zijn van zijn eigen geloof. Maar daarnaast heeft een kind iets heel belangrijks nodig: de zekerheid dat de liefde van zijn ouders niet afhankelijk is van zijn uiteindelijke geloofsovertuiging. Hoe ziet echte religieuze keuzevrijheid eruit? Misschien betekent keuzevrijheid helemaal niet dat ouders hun geloof minder duidelijk moeten meegeven. Een JG-ouder kan gewoon zeggen: ‘Ik geloof met heel mijn hart dat Jehovah bestaat.’ ‘Ik geloof dat de Bijbel Gods Woord is.’ ‘Ik geloof dat dit de waarheid is.’ Daar hoeft niets mis mee te zijn. Het verschil zit misschien in wat er daarna komt: ‘Maar je mag mij vragen waarom.’ ‘Je mag zeggen dat je iets niet begrijpt.’ ‘Je mag zeggen dat je iets niet gelooft.’ ‘Je hoeft niet te geloven omdat papa en mama geloven.’ ‘Je mag onderzoeken.’ ‘Je mag ook luisteren naar mensen die een andere conclusie hebben.’ ‘Je hoeft je niet te haasten.’ En misschien wel de belangrijkste: ‘Ik hoop dat jij voor Jehovah kiest. Maar als jij later iets anders gelooft, blijf ik net zoveel van jou houden.’ Dan betekent vrije wil niet: je bent vrij om zelf voor onze weg te kiezen. Maar: je bent vrij om te ontdekken welke weg werkelijk de jouwe is. Wat zegt de organisatie zelf over kinderen en de doop? Juist omdat dit artikel over keuzevrijheid gaat, is het goed om de officiële positie precies weer te geven. Jehovah’s Getuigen dopen geen baby’s . Volgens JW.org moet iemand die zich laat dopen begrijpen wat de Bijbel leert, daarin geloven, ernaar leven en zelf de beslissing nemen zich aan Jehovah op te dragen. Er bestaat in de openbare JW-bronnen geen vaste minimumleeftijd voor de doop . Een Wachttoren uit 2018 zegt expliciet dat de Bijbel geen specifieke leeftijd noemt en dat sommige kinderen op relatief jonge leeftijd voldoende rijp kunnen zijn, terwijl andere pas later klaar zijn. Ouders worden tegelijkertijd aangemoedigd hun kinderen vanaf hun geboorte te onderwijzen met als doel hen te helpen discipelen te worden. Diezelfde publicatie zegt dat ouders hun kinderen niet onder druk moeten zetten om zich te laten dopen. Wanneer iemand zich wil laten dopen, spreekt hij met de ouderlingen. Volgens JW.org willen zij vaststellen of de persoon begrijpt wat bij de doop betrokken is, toepast wat hij heeft geleerd en zich uit vrije wil aan God heeft opgedragen. De officiële positie bevat dus beide elementen: ouders worden aangemoedigd hun kind doelgericht naar discipelschap en uiteindelijk de doop te begeleiden, én de uiteindelijke opdracht en doop moeten volgens de organisatie de eigen vrijwillige beslissing van het kind zijn. De psychologische vraag van dit artikel is daarom niet of Jehovah’s Getuigen officieel zeggen dat kinderen gedwongen moeten worden. Dat zeggen hun openbare publicaties juist niet. De vraag is subtieler: Wat heeft een kind, naast formele keuzevrijheid, nodig om beide mogelijke uitkomsten ook emotioneel werkelijk te durven overwegen? Een vraag voor actieve Jehovah’s Getuigen Als jij dit als actieve JG leest, vraagt dit artikel je niet om ineens aan je geloof te gaan twijfelen. Stel alleen eens dat jouw zoon of dochter morgen tegen je zegt: ‘Ik heb serieus onderzoek gedaan en ik geloof niet meer dat Jehovah’s Getuigen de waarheid hebben.’ Wat gebeurt er dan in jou? Kun je zeggen: ‘Ik ben het totaal niet met je eens.’ ‘Ik hoop dat je ooit terugkomt op die conclusie.’ ‘Ik blijf Jehovah dienen.’ Maar tegelijkertijd: ‘Jij blijft mijn kind en mijn liefde voor jou verandert niet.’ Als een kind dát werkelijk weet, ontstaat er misschien meer ruimte om eerlijk te vertellen wat het werkelijk denkt en gelooft. Een vraag voor ex-JG’s Wanneer jij als ex-JG terugkijkt, hoef je niet automatisch te concluderen: ‘Mijn hele jeugd was manipulatie.’ Misschien had je liefdevolle ouders. Misschien waren je ouders oprecht. Misschien wilde je zelf naar de vergadering. Misschien geloofde je werkelijk. Dat kan allemaal tegelijk waar zijn. Maar je kunt jezelf wel vragen: Wat voelde voor mij als waarheid omdat ik ermee was opgegroeid? Wat dacht ik als kind over mensen buiten de organisatie? Hoe voelde het idee van Armageddon? Was ik bang Jehovah teleur te stellen? Kon ik mijn ouders vertellen dat ik twijfelde? Kon ik zonder angst onderzoeken? Hoe belangrijk was de goedkeuring van mijn ouders? En misschien vooral: Had ik werkelijk het gevoel dat beide antwoorden mogelijk waren? Waarom de doop een apart onderwerp verdient Dit artikel gaat bewust niet uitgebreid over de vraag of en wanneer minderjarigen gedoopt zouden moeten worden. De officiële JW-bronnen stellen geen vaste minimumleeftijd. Ze leggen de nadruk op begrip, overtuiging, gedrag, vrijwillige opdracht en de individuele rijpheid van het kind. Tegelijkertijd wordt de doop tegenover jongeren beschreven als een zeer belangrijke en blijvende beslissing. In materiaal voor jongeren wordt de opdracht aan Jehovah omschreven als een belofte om hem voor altijd te dienen. Dat roept een afzonderlijke vraag op: Wanneer kan een minderjarige een religieuze beslissing die bedoeld is voor het leven werkelijk overzien? Daarbij spelen leeftijd, ontwikkeling, voorbereiding op de doop, de rol van ouders en ouderlingen en mogelijke gevolgen wanneer iemands overtuiging later verandert. Dat verdient een afzonderlijk artikel. Want daar ontstaat opnieuw een interessante vraag over vrije wil: Geldt de vrijheid om voor een geloof te kiezen ook voor de vrijheid om later van overtuiging te veranderen? Misschien is dit de belangrijkste vraag Vrije wil betekent niet dat we zonder invloed moeten opgroeien. Dat kan niet. Iedereen wordt beïnvloed door ouders, cultuur, school, vrienden, religie, internet en de samenleving. De betere vraag is daarom misschien niet: ‘Ben ik beïnvloed?’ Natuurlijk ben ik beïnvloed. Maar: ‘Heb ik voldoende ruimte gekregen om mijn overtuigingen werkelijk te onderzoeken en eventueel tot een andere conclusie te komen?’ Daar zit het verschil. Een kind hoeft niet zonder geloof te worden opgevoed om later vrij te kunnen kiezen. Maar misschien moet het wel weten dat zijn eerlijkste antwoord nooit de liefde van zijn ouders hoeft te kosten. Misschien begint echte geloofsvrijheid daarom met één eenvoudige zin: ‘Ik hoop dat jij voor Jehovah kiest. Maar als jij later iets anders gelooft, blijf ik net zoveel van jou houden.’ Want pas wanneer een kind niet bang hoeft te zijn dat het moet kiezen tussen zijn overtuiging en de mensen van wie het houdt , krijgt zijn eigen stem werkelijk ruimte. Praat mee Hoe vrij voelde jouw eigen geloofsopvoeding? Kon jij thuis zeggen dat je twijfelde? Kon je andere overtuigingen onderzoeken? Had je het gevoel dat je ook werkelijk iets anders mocht geloven? En als je zelf Jehovah’s Getuige en ouder bent: Kan jouw kind tegen jou zeggen ‘ik geloof niet wat jij gelooft’ en tegelijkertijd volledig zeker weten dat jouw liefde voor hem of haar hetzelfde blijft? Bronnen JW.org - Wat zegt de Bijbel over de vrije wil? De Wachttoren - maart 2017 - Heb geloof: Neem verstandige beslissingen JW.org - Hoe word ik een Getuige van Jehovah? JW.org - Dwingen Jehovah’s Getuigen hun kinderen om hun geloof aan te hangen? JW.org - Wat is de doop? De Wachttoren - maart 2018 - Ouders, helpen jullie je kind om naar de doop toe te groeien? JW.org - Zal ik me laten dopen? - Deel 1: Wat de doop inhoudt JW.org - Zal ik me laten dopen? - Deel 2: Je voorbereiden op de doop JW.org - De doop: Een mooi doel! Zie ook op ExJW.World Familie & Relaties - over familiebanden, opvoeding, loyaliteit en relaties binnen en buiten het geloof. A-Z Psychologie - over vrije wil, groepsinvloed, cognitieve dissonantie, sociale beïnvloeding en identiteitsvorming. Minderjarigen en de doop - over leeftijd, ontwikkeling en een religieuze beslissing die bedoeld is voor het leven. Vrije wil of aangeleerde keuze? - over hoe overtuigingen kunnen ontstaan voordat iemand ze zelfstandig onderzoekt.