Herkenbare vragen
- Wat betekent het om ongedoopte verkondiger te worden?
- Ben je dan al een Jehovah’s Getuige?
- Kan een jong kind deze stap zetten?
- Hoeveel begrijpt een kind van wat deze status betekent?
- Welke invloed hebben ouders, andere kinderen en gemeenteleden?
- Waarom kan de bekendmaking in de gemeente zoveel betekenen?
- Wat gebeurt er als iemand later niet meer als ongedoopte verkondiger wordt erkend?
- Als de doop niet te vroeg moet plaatsvinden, wanneer begint dan de persoonlijke religieuze identiteit die eraan voorafgaat?
Wat is een ongedoopte verkondiger?
Een ongedoopte verkondiger is iemand die nog niet gedoopt is als Jehovah’s Getuige, maar wel officieel met de gemeente aan de prediking mag deelnemen. Dat kan een volwassen Bijbelstudent zijn, maar ook een kind dat binnen Jehovah’s Getuigen opgroeit.
Het gaat om meer dan een keer met ouders of vrienden meegaan in de velddienst. De persoon wordt als verkondiger erkend en neemt vanaf dat moment zelf deel aan het georganiseerde predikingswerk van de gemeente.
Van geïnteresseerde naar verkondiger
Iemand kan lange tijd bijeenkomsten bezoeken of Bijbelstudie krijgen zonder ongedoopte verkondiger te zijn.
Wie die volgende stap wil zetten, moet volgens de eigen richtlijnen onder andere geloven wat hij leert, er met anderen over willen spreken, volgens de religieuze normen leven en zelf een van Jehovah’s Getuigen willen worden.
Ongedoopte verkondiger worden betekent daarom niet alleen:
‘Ik wil een keer mee prediken.’
Er wordt ook mee uitgedrukt:
‘Ik wil mij met dit geloof identificeren en het aan anderen bekendmaken.’
Eerst een gesprek met twee ouderlingen
Voordat iemand als ongedoopte verkondiger wordt erkend, spreken twee ouderlingen met hem of haar.
Zij beoordelen of de persoon voldoende begrijpt wat hij gelooft, of zijn levenswijze overeenkomt met de vereisten en of hij werkelijk zelf wil deelnemen aan de prediking.
Bij een kind wordt rekening gehouden met leeftijd en begrip. Niet ieder onderwerp hoeft met een jong kind op dezelfde manier te worden besproken als met een volwassene.
De bedoeling is dat iemand niet zomaar verkondiger wordt, maar er voldoende voor klaar is.
Ook kinderen kunnen ongedoopte verkondiger worden
Er bestaat speciaal JG-materiaal voor ouders en kinderen over het doel om ongedoopte verkondiger te worden.
In het openbare materiaal wordt geen vaste minimumleeftijd genoemd. De nadruk ligt meer op begrip, gedrag, geestelijke ontwikkeling en de eigen wens van het kind.
Een kind hoeft daarbij nog niet dezelfde hoeveelheid kennis te hebben als een volwassen gedoopte Jehovah’s Getuige.
Dat maakt een belangrijke vraag mogelijk:
Hoe bepaal je wanneer een kind genoeg begrijpt om niet alleen mee te doen, maar ook een eigen religieuze positie in te nemen?
Voor ouders kan dit een prachtig moment zijn
Voor ouders die zelf overtuigd Jehovah’s Getuige zijn, kan deze stap veel vreugde geven.
Hun kind heeft vanaf jonge leeftijd over Jehovah geleerd, bezoekt de bijeenkomsten, geeft misschien antwoorden, gaat mee in de velddienst en begint zelf over zijn geloof te praten.
Wanneer het vervolgens zegt:
‘Ik wil ongedoopte verkondiger worden,’
kan dat voor ouders voelen als een belangrijke ontwikkeling:
het geloof wordt steeds meer van het kind zelf.
Die trots en vreugde kunnen volledig oprecht zijn.
Voor het kind kan het net zo echt zijn
Ook het kind zelf kan deze stap werkelijk willen.
Het gelooft misschien dat Jehovah bestaat, dat het Paradijs zal komen en dat mensen geholpen kunnen worden door de Bijbelse boodschap.
Prediken kan dan voelen als:
‘Ik weet iets belangrijks en ik wil het anderen vertellen.’
Ongedoopte verkondiger worden kan bovendien het gevoel geven:
‘Nu mag ik echt meedoen.’
Dat gevoel hoeft niet minder oprecht te zijn omdat het kind in een JG-gezin is opgegroeid.
De bekendmaking in de gemeente
Wanneer iemand voor het eerst als nieuwe ongedoopte verkondiger heeft deelgenomen, wordt daar volgens de organisatorische regeling een korte mededeling over gedaan aan de gemeente.
Tot dat moment was iemand misschien vooral het kind van een broeder en zuster of iemand die Bijbelstudie krijgt.
Nu hoort de gemeente dat hij of zij ongedoopte verkondiger is geworden.
Een formeel kleine mededeling kan sociaal en emotioneel daardoor veel betekenis krijgen.
Felicitaties en erkenning
Na zo’n stap kunnen ouders, familieleden en gemeenteleden enthousiast reageren. Een kind kan felicitaties krijgen en in sommige families of gemeenten kaartjes of andere aandacht.
Dat is geen officiële vereiste en zal niet overal hetzelfde gebeuren.
Voor het kind kan het wel sterk binnenkomen:
‘Ze zijn trots op mij.’ ‘Iedereen vindt dit mooi.’ ‘Ik heb iets belangrijks bereikt.’
Zo’n ervaring kan de verbondenheid met de gemeente versterken.
‘Broeder’ of ‘zuster’
Binnen Jehovah’s Getuigen kan een ongedoopte verkondiger bovendien tot de geestelijke familie van de gemeente worden gerekend en als broeder of zuster worden aangesproken.
Voor een jong kind kan dat opvallend zijn. Eerst hoort het tijdens een bijeenkomst misschien vooral zijn voornaam. Later kan het horen:
‘broeder…’ of ‘zuster…’
Dat is maar één woord, maar woorden kunnen identiteit bevestigen:
‘Nu hoor ik er echt bij.’
Erkenning kan extra motivatie geven
Mensen — en zeker kinderen — zijn gevoelig voor erkenning.
Wanneer een nieuwe religieuze status samengaat met complimenten, aandacht en een andere manier van aanspreken, kan dat extra motivatie geven.
Dat hoeft geen bewuste beïnvloeding te zijn. Gemeenteleden kunnen oprecht blij zijn met de geestelijke ontwikkeling van het kind.
Psychologisch gebeurt tegelijkertijd iets normaals:
gedrag en keuzes die waardering en verbondenheid opleveren, kunnen aantrekkelijker worden.
Religieuze overtuiging en sociale bevestiging kunnen dus naast elkaar bestaan.
Andere kinderen gaan je voor
Een kind kijkt ook naar leeftijdgenoten.
Een oudere broer wordt ongedoopte verkondiger. Een vriendin uit de gemeente zet dezelfde stap. Een ander kind geeft steeds vaker antwoord, gaat prediken en wordt later gedoopt.
Kinderen leren niet alleen doordat volwassenen iets uitleggen. Ze kijken ook:
‘Wat doen kinderen zoals ik?’ ‘Welke stappen horen blijkbaar bij groter worden?’ ‘Waar zijn volwassenen trots op?’
Wanneer meerdere kinderen dezelfde route volgen, kan ongedoopte verkondiger worden daardoor als een heel natuurlijke volgende stap gaan voelen.
Sociale invloed is niet hetzelfde als dwang
Dat onderscheid is belangrijk.
Een kind hoeft niet gedwongen te worden om toch sterk door zijn omgeving beïnvloed te zijn.
Alle kinderen worden gesocialiseerd. In een sportgezin kan sport belangrijk worden, in een muzikaal gezin muziek en in een religieus gezin geloof.
Een kind kan dus oprecht zelf zeggen:
‘Ik wil dit.’
terwijl ouders, vrienden, gemeenteleden en voorbeelden om hem heen mede hebben gevormd wat het graag wil.
Oprechte keuze en sociale beïnvloeding sluiten elkaar niet uit.
Aanmoediging kan verschillend worden ervaren
Gemeenteleden kunnen een kind vriendelijk aanmoedigen:
‘Jij doet het zo goed.’
‘Misschien word jij binnenkort ook ongedoopte verkondiger.’
‘Wat zou dat mooi zijn.’
Voor het ene kind voelt dat als vertrouwen:
‘Ze denken dat ik dit kan.’
Voor een ander kan dezelfde opmerking voelen als verwachting:
‘Blijkbaar hoor ik dit binnenkort te doen.’
De bedoeling van de volwassene zegt dus niet automatisch alles over hoe het kind de boodschap ervaart.
Hoe veilig voelt ‘nog niet’?
Bij keuzevrijheid is daarom niet alleen de reactie op een ja interessant.
Ook de reactie op:
‘Ik wil het nog niet’
vertelt iets.
Kan een kind wachten? Mag het twijfelen? Mag het eerst meer onderzoeken? Blijft de warmte hetzelfde wanneer het niet dezelfde geestelijke stap zet als andere kinderen?
Een ouder kan oprecht hopen dat zijn kind Jehovah kiest en tegelijkertijd duidelijk proberen te maken:
‘Je hoeft dit niet voor mij te doen.’
Juist omdat de ouder veel waarde aan het geloof hecht, kan dat een moeilijke balans zijn.
De keuze ontstaat niet tijdens één gesprek
Wanneer twee ouderlingen met een kind spreken, begint de wens meestal niet op die dag.
Daarvoor liggen vaak jaren van bijeenkomsten, gezinsaanbidding, velddienst, Bijbelverhalen, gebeden, video’s, vriendjes uit de gemeente en gesprekken thuis.
Het kind heeft waarschijnlijk al geleerd wat een geestelijk doel is, andere kinderen stappen zien zetten en misschien complimenten gekregen wanneer het antwoord gaf of enthousiast meeging in de dienst.
De vraag is daarom niet alleen:
‘Zei het kind tijdens het gesprek zelf ja?’
maar ook:
‘Hoe heeft die wens zich in de jaren daarvoor gevormd?’
De doop wordt het volgende doel
In de organisatorische richtlijnen worden ouderlingen aangemoedigd een kind te complimenteren wanneer het voldoende geestelijke vorderingen heeft gemaakt om ongedoopte verkondiger te worden.
Ook wordt het aangemoedigd om de doop als volgend doel voor ogen te houden.
Vanuit Jehovah’s Getuigen is dat logisch: ongedoopte verkondiger worden geldt als geestelijke vooruitgang en de doop uiteindelijk als een belangrijke christelijke stap.
Voor het kind ontstaat daarmee een richting:
deze stap is niet noodzakelijk het eindpunt, maar onderdeel van een ontwikkeling naar de doop.
Ongedoopte verkondiger worden is geen doop
Dat onderscheid moet duidelijk blijven.
Volgens Jehovah’s Getuigen symboliseert de doop dat iemand zich persoonlijk in gebed aan Jehovah heeft opgedragen en hem blijvend wil dienen.
Ongedoopte verkondiger worden is niet die opdracht en is ook geen soort symbolische doop.
Het zou daarom onnauwkeurig zijn beide gelijk te stellen.
Maar het is ook niet zomaar ‘een beetje meedoen’
De stap heeft wel degelijk betekenis.
Een ongedoopte verkondiger neemt officieel deel aan het predikingswerk, wordt als verkondiger erkend, wordt aan de gemeente bekendgemaakt en wordt binnen de organisatie als verkondiger geregistreerd.
In het huidige studiemateriaal staat deze stap bovendien bij de voorwaarden voor iemand die later klaar wil zijn voor de doop.
Een nauwkeurige omschrijving is daarom:
een publieke religieuze identiteitsstap die aan de doop voorafgaat.
Wanneer wordt ‘ons geloof’ mijn geloof?
Een jong kind kan zeggen:
‘Wij zijn Jehovah’s Getuigen.’
Dat is eerst vaak een gezinsidentiteit:
dit zijn wij.
Later kan het worden:
‘Ik ben ongedoopte verkondiger.’
En nog later:
‘Ik heb mij aan Jehovah opgedragen en ben gedoopt.’
Religieuze identiteit kan zo geleidelijk van ons naar mijn verschuiven.
De interessantste vraag is niet op welk exact moment dat gebeurt, maar of het kind onderweg steeds beter begrijpt:
‘Waarom geloof ik dit zelf?’
Begrijpen is niet hetzelfde als alles kunnen overzien
Een kind kan heel goed uitleggen:
‘Ik wil mensen over Jehovah vertellen.’
Het kan Bijbelse vragen correct beantwoorden en werkelijk geloven wat het zegt.
Tegelijk ontwikkelen het vermogen om toekomstige gevolgen te overzien, sociale invloed te herkennen en een identiteit onafhankelijker van ouders te onderzoeken zich geleidelijk.
Dat betekent niet dat kinderen geen betekenisvolle keuzes kunnen maken.
Wel kan leeftijd invloed hebben op hoe breed een kind de betekenis en gevolgen van een keuze kan overzien.
Een kind denkt misschien vooral:
‘Ik mag nu verkondigen.’
Een volwassene ziet daarnaast mogelijk identiteit, verwachtingen, reputatie, toekomstige doop en de mogelijkheid later anders te denken.
Wat begrijpt een kind vooraf?
Begrijpt een kind alleen:
‘Ik wil graag prediken’
of ook:
‘De gemeente gaat mij nu als verkondiger zien.’
‘Er worden bepaalde normen van mij verwacht.’
‘Mijn religieuze positie kan later weer veranderen.’
‘Dat kan opnieuw aan de gemeente worden meegedeeld.’
Niet ieder toekomstscenario hoeft uitvoerig met een kind te worden besproken.
Maar hoe belangrijker een stap wordt voor iemands identiteit, hoe relevanter de vraag wordt hoeveel van die betekenis hij werkelijk kan overzien.
Wat als een ongedoopte verkondiger ernstig kwaaddoet?
Ongedoopte verkondigers bevinden zich niet in dezelfde religieuze positie als gedoopte Jehovah’s Getuigen en kunnen daarom niet op dezelfde manier uit de gemeente worden verwijderd.
Wanneer een ongedoopte verkondiger betrokken raakt bij gedrag dat binnen Jehovah’s Getuigen als ernstig kwaaddoen wordt beschouwd, kunnen twee ouderlingen proberen hem te helpen.
Wanneer hij volgens de religieuze beoordeling geen berouw toont en niet langer aan de voorwaarden voldoet, kan hij ophouden als ongedoopte verkondiger.
Ook die verandering wordt bekendgemaakt
In dat geval kan aan de gemeente kort worden meegedeeld dat de persoon niet langer als ongedoopte verkondiger wordt erkend.
Dat is iets anders dan verwijdering van een gedoopte Jehovah’s Getuige.
Toch heeft ook deze verandering een publiek element.
Eerder hoorde de gemeente:
‘Deze persoon is nu ongedoopte verkondiger.’
Later kan zij horen:
‘Deze persoon wordt niet langer als zodanig erkend.’
Wat kan dat met een jongere doen?
Dat verschilt per persoon.
De één haalt misschien zijn schouders op. Voor een ander kan het veel betekenen.
Juist wanneer de eerdere status verbonden was met trots, complimenten, erbij horen en geestelijke vooruitgang, kan verlies ervan gevoelens oproepen van schuld, schaamte, teleurstelling of:
‘Wat zal iedereen nu van mij denken?’
Dat betekent niet dat de bekendmaking bedoeld is om iemand te beschamen.
Bedoeling en psychologisch effect zijn niet altijd hetzelfde.
Schuld en schaamte zijn niet hetzelfde
Schuld gaat eerder over:
‘Ik heb iets verkeerd gedaan.’
Schaamte kan verder gaan:
‘Er is iets verkeerd met mij.’
Religieuze correctie kan door de ene persoon worden ervaren als hulp om gedrag te veranderen, terwijl een ander dezelfde situatie sterker verbindt aan zijn waarde als persoon of zijn plaats in de groep.
Voor kinderen en jongeren is het daarom belangrijk onderscheid te houden tussen gedrag beoordelen en iemands waarde als mens beoordelen.
Dezelfde gemeenschap die bevestigt, ziet ook verandering
De sociale kant van een hechte gemeente kan heel positief zijn: mensen kennen je, volgen je ontwikkeling, zijn blij met je en moedigen je aan.
Precies daardoor kunnen veranderingen ook zichtbaarder voelen.
In een anonieme omgeving merkt bijna niemand dat je stopt met een bepaalde activiteit. In een hechte gemeenschap kan verandering van religieuze status sneller betekenis krijgen.
Dat is niet noodzakelijk goed of slecht.
Het hoort bij sterke sociale verbondenheid:
mensen kennen elkaar en merken veranderingen op.
De doop is de grotere stap, maar identiteit begint eerder
Vanuit de leer is de doop de veel verdergaande stap. Daarmee maakt iemand volgens Jehovah’s Getuigen publiek duidelijk dat hij zich persoonlijk aan Jehovah heeft opgedragen.
Maar psychologisch ontstaat religieuze identiteit niet pas op de dag van de doop.
Daar kunnen jaren aan voorafgaan.
Stel dat een kind al jaren vóór de doop officieel verkondiger is, anderen over zijn geloof vertelt, binnen de gemeente als geestelijk groeiend wordt gezien, als broeder of zuster wordt aangesproken, complimenten krijgt en de doop als volgend doel meekrijgt.
Dan is de doop nog niet gezet, maar een belangrijk deel van de religieuze identiteit kan al gevormd zijn.
Daarom kunnen twee vragen naast elkaar bestaan:
‘Was ik oud genoeg om mij te laten dopen?’
en:
‘Hoe oud was ik toen ik mij al persoonlijk als Jehovah’s Getuige begon te identificeren?’
Is het dan een soort voor-doop?
Niet in theologische zin.
Ongedoopte verkondiger worden is volgens Jehovah’s Getuigen geen opdracht aan God en geen vervanging van de doop.
Het is wel een stap op het religieuze traject naar de doop.
Daarom is de meest nauwkeurige benadering:
niet hetzelfde als gedoopt zijn, maar ook niet zonder betekenis voor identiteit en ontwikkeling.
Een kind kan volledig overtuigd zijn
Het zou te eenvoudig zijn om te veronderstellen dat een jong kind alleen verkondiger wordt om ouders blij te maken.
Sommige kinderen zijn zeer overtuigd, praten uit zichzelf over Jehovah en willen niets liever dan officieel mee prediken.
Hun geloofservaring verdient serieus genomen te worden.
Maar ook een sterk overtuigd kind groeit op binnen een sociale omgeving. Dat geldt voor religieuze én niet-religieuze overtuigingen.
Een kind kan ook vooral willen voldoen
Andere kinderen zijn sterk gericht op waardering. Ze willen het graag goed doen, ouders trots maken, ouderlingen niet teleurstellen of net zo ver zijn als vriendjes.
Voor zulke kinderen kan het moeilijker zijn onderscheid te maken tussen:
‘Ik wil dit.’
en:
‘Ik wil dat iedereen blij met mij is.’
Daarom is de vraag naar keuzevrijheid niet voor ieder kind hetzelfde.
Wat als het kind later anders denkt?
Een belangrijk onderdeel van persoonlijke ontwikkeling is dat overtuigingen later opnieuw bekeken kunnen worden.
Een kind kan later juist sterker overtuigd raken dat Jehovah’s Getuigen de waarheid hebben. Het kan ook twijfels krijgen of tot een andere conclusie komen.
Vrij onderzoek heeft niet vooraf één juiste uitkomst.
De relevante vraag is:
‘Mag de overtuiging die ik als kind heb aangenomen later opnieuw door mijzelf worden onderzocht?’
Geloofsopvoeding en autonomie hoeven geen tegenpolen te zijn
Een ouder hoeft zijn geloof niet neutraal of waardenvrij aan een kind door te geven. Dat doet vrijwel geen enkele ouder.
Je mag vertellen wat je gelooft, uitleggen waarom je dat belangrijk vindt en blij zijn wanneer je kind dezelfde overtuiging deelt.
Tegelijk kan ruimte voor autonomie betekenen:
‘Ik hoop dat je hiervoor kiest, maar ik wil ook dat het werkelijk jouw keuze wordt.’
Die twee verlangens kunnen naast elkaar bestaan.
Hoe herken je keuzevrijheid?
Misschien niet alleen aan de vraag:
‘Heeft het kind zelf gevraagd om ongedoopte verkondiger te worden?’
Maar ook aan:
Kan het wachten? Kan het kritische vragen stellen? Kan het zeggen dat het iets niet begrijpt? Kan het van mening veranderen? Blijft liefde en waardering bestaan wanneer het niet dezelfde snelheid kiest als andere kinderen? En mag onderzoek uiteindelijk ook tot een andere conclusie leiden dan de omgeving hoopt?
Twee perspectieven
Een actieve Jehovah’s Getuige kan hierin vooral een mooie geleidelijke ontwikkeling zien: een kind leert Jehovah kennen, begint zelf over zijn geloof te praten, wordt ongedoopte verkondiger en kan later, wanneer het daarvoor klaar is, voor de doop kiezen.
Dat perspectief verdient serieus genomen te worden.
Een voormalige Jehovah’s Getuige kan later terugkijken en tegelijkertijd denken:
‘Ik wilde dit zelf en was ontzettend trots.’
‘Ik hield echt van Jehovah.’
en:
‘Ik had toen nooit overwogen dat ik ook niet die route kon volgen.’
Die herinneringen hoeven elkaar niet uit te sluiten.
Een keuze kan vroeger oprecht zijn geweest en later toch opnieuw worden onderzocht.
Vragen om over na te denken
Wat betekent ongedoopte verkondiger worden behalve officieel mogen prediken?
Hoe oud was ik toen religie steeds meer mijn eigen identiteit werd?
Welke betekenis hadden felicitaties en erkenning voor mij?
Zag ik andere kinderen als voorbeelden van wat ik zelf ook hoorde te bereiken?
Hoe reageerden mensen wanneer ik geestelijke vooruitgang maakte?
Hoe zouden ze hebben gereageerd als ik had gezegd: ‘Ik wil dit nog niet’?
Voelde een ‘nog niet’ even veilig als een ‘ja’?
Welke gevolgen van de status kon ik op die leeftijd werkelijk overzien?
Wist ik dat mijn status ook weer publiek kon veranderen?
Was mijn keuze vooral gebaseerd op geloof, verbondenheid, waardering of een combinatie daarvan?
Kon ik zelf vragen stellen over wat ik geloofde?
- Mag een overtuiging die in de jeugd oprecht was later opnieuw onderzocht worden?
- Kan dat onderzoek zowel leiden tot blijven als tot een andere overtuiging?
- Wanneer werd ‘ons geloof’ voor mij werkelijk ‘mijn geloof’?
Samenvatting
Een ongedoopte verkondiger is nog niet gedoopt, maar heeft wel een erkende religieuze positie binnen de gemeente. De persoon mag officieel deelnemen aan de prediking en heeft aangegeven een van Jehovah’s Getuigen te willen worden.
Ook kinderen kunnen deze stap zetten.
Voor gelovige ouders en kinderen kan dat een prachtig moment zijn: het kind maakt geestelijke vorderingen en begint zelf verantwoordelijkheid voor zijn geloof te nemen.
Tegelijk kan de stap veel sociale betekenis krijgen. Bekendmaking in de gemeente, felicitaties, complimenten, voorbeelden van andere kinderen en het gevoel werkelijk bij de geestelijke familie te horen kunnen de religieuze identiteit versterken.
Dat betekent niet automatisch dat het kind wordt gedwongen. Het betekent wel dat keuzes nooit losstaan van de omgeving waarin ze ontstaan.
Ongedoopte verkondiger worden is daarom geen doop, maar ook niet alleen vrijblijvend meegaan in de velddienst.
Het kan het best worden omschreven als:
een publieke religieuze identiteitsstap vóór de doop.
Daarom is niet alleen belangrijk:
‘Wil het kind dit?’
maar ook:
‘Hoeveel van de sociale en religieuze betekenis van deze stap kan het op deze leeftijd overzien?’
En misschien vooral:
‘Als we vinden dat een doop niet te vroeg moet plaatsvinden, wanneer vinden we een kind dan oud genoeg om de religieuze identiteit die eraan voorafgaat werkelijk te begrijpen en zelf te kiezen?’
Bronnen en verdieping
Jehovah’s Getuigen – Ben ik er klaar voor?, Voor eeuwig gelukkig! Over voorwaarden en voorbereiding op deelname aan de prediking.
Jehovah’s Getuigen – Word een ongedoopte verkondiger, Word Jehovah’s vriend. Materiaal voor kinderen over deze stap.
Jehovah’s Getuigen – Dwingen Jehovah’s Getuigen hun kinderen om hun geloof aan te hangen? Over persoonlijke geloofskeuze.
Jehovah’s Getuigen – Wat is de doop? Over het onderscheid tussen doop en eerdere stappen.
Jehovah’s Getuigen – Ouders, helpen jullie je kind om naar de doop toe te groeien? Over geestelijke ontwikkeling van kinderen.
Georganiseerd om Jehovah’s wil te doen – Predikers van het goede nieuws. Over voorwaarden en procedure voor ongedoopte verkondigers.
Watchtower Online Library – Leer je kinderen om Jehovah te loven. Over kinderen en deelname aan prediking.
Watchtower Online Library – Bewaar de vrede en de reinheid van de gemeente. Over de positie van een ongedoopte verkondiger bij ernstig kwaaddoen.
Ontwikkelingspsychologische literatuur over socialisatie, autonomie, sociale invloed en besluitvorming bij kinderen en jongeren. Achtergrond bij identiteit en keuzevorming.
Lees ook
Groepsidentiteit – Hoe wordt ‘wie wij zijn’ onderdeel van wie ik zelf ben?
Internalisering – Hoe kunnen overtuigingen en normen van buitenaf onderdeel worden van je eigen innerlijke stem?
Sociale invloed – Hoe beïnvloeden anderen onze keuzes zonder dat er sprake hoeft te zijn van dwang?
Socialisatie – Hoe leren kinderen welke overtuigingen, waarden en gedragingen binnen hun omgeving belangrijk zijn?