EXJW WorldKennisbibliotheek

Kennisbibliotheek › 🧠 A-Z Encyclopedie van de Psychologie

I - Indoctrinatie

Wanneer wordt het overdragen van overtuigingen iets anders dan gewone opvoeding, onderwijs of socialisatie?

Herkenbare vragen Wat is indoctrinatie precies? Is iedere religieuze opvoeding indoctrinatie? Kun je geïndoctrineerd worden zonder dat iemand je bewust manipuleert? Waarom kunnen aangeleerde overtuigingen als volledig eigen voelen? Welke rol spelen herhaling, groepsdruk, informatie, angst en erbij willen horen? En hoe vrij ben je wanneer je wel mág twijfelen, maar twijfelen emotioneel of sociaal moeilijk voelt? Het woord indoctrinatie wordt vaak als beschuldiging gebruikt. Wanneer iemand zegt ‘jij bent geïndoctrineerd’ , klinkt het al snel alsof de ander niet zelfstandig kan denken. Dat is te eenvoudig. Ieder mens wordt vanaf zijn geboorte beïnvloed. We leren van onze ouders wat goed en verkeerd is, op school hoe de wereld werkt en binnen onze cultuur wat normaal wordt gevonden. Ook religieuze ouders geven hun overtuigingen aan hun kinderen door. Dat heet onder andere opvoeding en socialisatie . De interessante vraag is daarom niet: ‘Ben ik beïnvloed?’ Dat zijn we allemaal. De belangrijkere vraag is: ‘Hoeveel ruimte kreeg ik om wat mij werd geleerd kritisch te onderzoeken en uiteindelijk tot een andere conclusie te komen?’ Wat betekent indoctrinatie? In algemene zin verwijst indoctrinatie naar het systematisch overbrengen van overtuigingen of doctrines waarbij kritische beoordeling van die overtuigingen beperkt of ontmoedigd kan worden . Daarmee verschilt indoctrinatie van simpelweg iets leren. Een docent kan bijvoorbeeld zeggen: ‘Dit is de theorie. Dit zijn de argumenten ervoor. Dit zijn de bezwaren. Onderzoek ze en kijk welke conclusie het beste wordt ondersteund.’ Bij indoctrinatie ligt de gewenste conclusie veel sterker vooraf vast. Het gaat dus niet alleen om wat iemand leert, maar ook om de vraag hoe iemand geleerd wordt ermee om te gaan . Indoctrinatie is niet hetzelfde als religieuze opvoeding Een kind vertellen dat God bestaat is op zichzelf geen bewijs van indoctrinatie. Een atheïstische ouder kan zijn wereldbeeld eveneens sterk aan een kind doorgeven. Ook Bijbellezen, bidden, religieuze bijeenkomsten bezoeken of kinderen religieuze normen leren is niet automatisch indoctrinatie. Een belangrijker onderscheid is de ruimte rondom die overtuiging. Mag het kind later vragen: ‘Hoe weten we dat eigenlijk?’ Mag het andere religies serieus onderzoeken? Mag het informatie lezen die de overtuiging van zijn ouders tegenspreekt? Mag het uiteindelijk zeggen: ‘Ik heb het onderzocht en ik geloof iets anders’ zonder dat daarmee belangrijke relaties, veiligheid of het gevoel geliefd te zijn onder druk komen te staan? Hoe kleiner die ruimte wordt, hoe relevanter de vraag naar indoctrinatie wordt. Je hoeft niet letterlijk gedwongen te worden Indoctrinatie wordt soms voorgesteld alsof iemand voortdurend wordt bevolen wat hij moet denken. Maar beïnvloeding kan veel subtieler verlopen. Een kind kan vanaf jonge leeftijd steeds dezelfde uitleg over de wereld horen. De mensen die het vertrouwt geloven hetzelfde. Vrienden geloven hetzelfde. Bijeenkomsten bevestigen dezelfde overtuigingen. Verhalen, voorbeelden en onderwijs sluiten daarop aan. Na verloop van tijd voelt die werkelijkheid niet meer als: ‘Dit is wat mijn omgeving gelooft.’ Maar als: ‘Zo ís de werkelijkheid.’ Dat hoeft niet het resultaat te zijn van een bewust plan van ouders of individuele geloofsgenoten. Zij kunnen volledig oprecht geloven dat zij iemand de waarheid leren. Wat je vanaf je jeugd leert, wordt je uitgangspunt Stel dat een kind vanaf zijn geboorte leert dat één religie de waarheid heeft. Het leert wie God is, wat de toekomst brengt, welk gedrag God goedkeurt, welke mensen goede invloed hebben en welke gevaren er geestelijk bestaan. Voor dat kind is dit aanvankelijk geen religieuze hypothese die het naast tien andere hypothesen heeft gelegd. Het is zijn vertrekpunt . Dat geldt overigens ook voor veel andere overtuigingen die kinderen van hun omgeving meekrijgen. Daarom is de vraag niet alleen of iemand op zijn achttiende formeel kan zeggen: ‘Ik kies hier zelf voor.’ Een interessantere vraag is: ‘Vanuit hoeveel verschillende mogelijkheden heb ik die keuze werkelijk leren bekijken?’ Indoctrinatie en Jehovah’s Getuigen Bij Jehovah’s Getuigen wordt veel waarde gehecht aan religieuze opvoeding. Ouders worden aangemoedigd hun kinderen over Jehovah te leren, samen de Bijbel te bestuderen, bijeenkomsten te bezoeken en kinderen te helpen naar persoonlijke toewijding en uiteindelijk de doop toe te groeien. Jehovah’s Getuigen benadrukken tegelijkertijd dat de doop een persoonlijke beslissing is en dat kinderen niet als baby worden gedoopt. Dat zijn relevante feiten wanneer je over indoctrinatie spreekt. De vraag is dus niet simpelweg: ‘Worden kinderen van Jehovah’s Getuigen gedwongen te geloven?’ Veel ouders zullen juist zeggen: ‘Mijn kind moet uiteindelijk zelf voor Jehovah kiezen.’ De psychologisch interessantere vraag is: Hoe wordt die keuze gevormd vóórdat het kind haar maakt? Als één keuze voortdurend positief wordt bevestigd Stel dat een kind jarenlang hoort dat Jehovah dienen de beste levensweg is. Het ziet volwassenen die gedoopt worden felicitaties krijgen. Het hoort ervaringen over jongeren die geestelijke doelen stellen. Het leert welke eigenschappen bij een geestelijk sterke jongere horen. Dat hoeft geen directe dwang te zijn. Het kind leert wel welke keuze binnen zijn omgeving als goed, verstandig en geestelijk volwassen wordt beschouwd. Dat is sociale beïnvloeding. En sociale beïnvloeding is op zichzelf nog geen bewijs van indoctrinatie. De volgende vraag is bepalender: Hoe wordt gereageerd wanneer het kind serieus een andere richting onderzoekt? Informatie speelt een belangrijke rol Een overtuiging kun je pas kritisch onderzoeken wanneer je ook informatie kunt bekijken die haar mogelijk tegenspreekt. Daarom is informatievrijheid belangrijk bij het onderwerp indoctrinatie. Jehovah’s Getuigen waarschuwen in hun publicaties tegen informatie van afvalligen en tegen materiaal dat volgens hen bedoeld is om twijfel over Jehovah of zijn organisatie te veroorzaken. Vanuit hun eigen perspectief is daarvoor een religieuze verklaring: zij zien zulke informatie als geestelijk gevaarlijk of misleidend. Vanuit het perspectief van indoctrinatie ontstaat vervolgens een andere vraag: Kun je een overtuiging volledig onderzoeken wanneer bepaalde informatie al als gevaarlijk wordt beschouwd voordat je haar zelf hebt beoordeeld? Daarmee is nog niet vastgesteld dat alle externe informatie betrouwbaar is. Ook kritische websites, voormalige leden en sociale media kunnen fouten, overdrijvingen of eenzijdige informatie bevatten. Dezelfde kritische standaard zou daarom voor alle bronnen moeten gelden. ‘Geloof ons ook niet zomaar’ Dit is een belangrijk verschil tussen zelfstandig onderzoek en simpelweg van autoriteit wisselen. Wanneer iemand Jehovah’s Getuigen verlaat en daarna automatisch alles gelooft wat een ex-JG, YouTuber of kritische website zegt, is daarmee niet noodzakelijk zelfstandig denken ontstaan. Kritisch denken betekent juist: Wie zegt dit? Waarop is het gebaseerd? Kan ik de oorspronkelijke bron bekijken? Welke tegenargumenten bestaan er? Zou ik dezelfde bewijsstandaard gebruiken wanneer deze informatie mijn eigen mening tegensprak? Vrij denken betekent niet dat je een andere groep moet geloven. Het betekent dat ook ExJW.World onderzocht mag worden . De rol van taal Groepen ontwikkelen hun eigen woorden en betekenissen. Bij Jehovah’s Getuigen hebben begrippen als de waarheid, werelds, geestelijk zwak, goede omgang, afvalligheid en Jehovah’s organisatie binnen de gemeenschap een specifieke betekenis. Dat is niet uitzonderlijk. Religies, beroepen, politieke bewegingen en zelfs vriendengroepen ontwikkelen eigen taal. Maar taal kan wel invloed hebben op hoe we denken. Wanneer iemand bijvoorbeeld niet alleen wordt beschreven als ‘iemand die een andere religieuze conclusie heeft bereikt’ , maar als ‘afvallige’ , kan dat woord onmiddellijk allerlei andere associaties oproepen. Daarom is een interessante vraag: Beschrijft een woord alleen wat iemand doet, of vertelt het mij tegelijkertijd hoe ik over die persoon moet denken en voelen? Erbij willen horen Indoctrinatie gaat niet alleen over ideeën. Mensen zijn sociale wezens. We willen bij onze familie horen. We willen vrienden. We willen erkenning. We willen dat mensen die belangrijk voor ons zijn trots op ons zijn. Daarom kan een overtuiging extra krachtig worden wanneer zij verbonden raakt met sociale verbondenheid . Je gelooft dan niet alleen samen. Je eet samen, gaat samen naar bijeenkomsten, predikt samen, gaat samen naar congressen, trouwt vaak binnen dezelfde gemeenschap en bouwt soms vrijwel je hele sociale netwerk daar op. Dat kan prachtige verbondenheid opleveren. Maar het betekent ook dat een verandering van overtuiging mogelijk meer raakt dan alleen een idee. Dan kan de vraag ‘Geloof ik dit nog?’ onbewust verbonden raken met: ‘Wat gebeurt er met mijn mensen wanneer mijn antwoord nee wordt?’ Groepsdruk hoeft niet hardop uitgesproken te worden Niemand hoeft te zeggen: ‘Als je weinig predikt, vinden wij je minder geestelijk.’ Wanneer je jarenlang hebt gezien welk gedrag waardering krijgt, kun je zelf al weten wat de norm is. Daardoor kunnen mensen dingen doen die zij eigenlijk niet graag doen. Je gaat toch in de velddienst. Je neemt toch een onderdeel aan. Je probeert toch meer te studeren. Je zegt toch niets over je twijfel. Niet noodzakelijk omdat iemand je letterlijk dwingt, maar omdat geloof, geweten, groepsnorm en behoefte aan verbondenheid tegelijkertijd dezelfde richting op wijzen. Dat maakt de grens tussen eigen motivatie en sociale beïnvloeding soms moeilijk zichtbaar. Wanneer de stem van de groep je eigen stem wordt Een belangrijke term hierbij is internalisering . Dat betekent dat normen uit je omgeving zo eigen kunnen worden dat er uiteindelijk niemand meer nodig is om ze van buitenaf af te dwingen. Je corrigeert jezelf: Ik zou dit niet mogen denken. Ik moet meer voor Jehovah doen. Waarom heb ik niet genoeg zin in de velddienst? Misschien ben ik geestelijk zwak. Ik hoor hier niet aan te twijfelen. Die gedachten kunnen volledig als je eigen gedachten voelen. En voor een deel zijn ze dat ook: ze bevinden zich immers in jouw hoofd. Maar je kunt nog steeds onderzoeken waar je maatstaven vandaan kwamen. Schuld en angst Emoties kunnen overtuigingen versterken. Wanneer twijfel onmiddellijk schuld oproept, wordt rustig onderzoeken moeilijker. Wanneer het lezen van bepaalde informatie angst veroorzaakt, kan iemand stoppen voordat hij de inhoud heeft beoordeeld. Daarbij moet opnieuw onderscheid worden gemaakt. Angst of schuld betekent niet automatisch dat iemand geïndoctrineerd is. Een mens kan terecht schuld voelen wanneer hij iemand pijn heeft gedaan en terecht bang zijn voor werkelijk gevaar. Daarom is de interessantere vraag: Waar waarschuwt mijn gevoel mij precies voor? Is er werkelijk gevaar? Handel ik tegen mijn eigen waarden? Of heb ik geleerd dat het hebben van deze gedachte of het onderzoeken van deze informatie op zichzelf gevaarlijk of verkeerd is? Indoctrinatie kan ook zonder kwade bedoelingen Dit is een belangrijke nuance. Wanneer een ouder zijn kind leert dat alleen zijn religie waar is, hoeft die ouder niet te denken: ‘Ik ga mijn kind indoctrineren.’ Waarschijnlijk denkt hij juist: ‘Ik geef mijn kind het kostbaarste wat ik bezit.’ Hetzelfde kan gelden voor andere leden van een gemeenschap. Mensen kunnen processen in stand houden omdat zij oprecht geloven dat zij iemand beschermen, helpen of redden. Daarom zegt het onderzoeken van indoctrinatie niet automatisch iets over de bedoelingen van individuele Jehovah’s Getuigen. Het gaat vooral over het proces en de gevolgen . Wat is dan het verschil met socialisatie? Socialisatie is het normale proces waardoor we leren functioneren binnen een gezin, cultuur of groep. We leren taal, omgangsvormen, waarden en sociale regels. Indoctrinatie gaat verder wanneer een bepaald ideeënstelsel zo wordt overgedragen dat kritische beoordeling en fundamentele alternatieven onvoldoende ruimte krijgen of actief worden ontmoedigd . Er bestaat daarbij geen simpele lijn waarbij links ‘normale opvoeding’ staat en rechts ineens ‘indoctrinatie’ begint. Er kunnen gradaties bestaan. Daarom is het vaak nuttiger naar concrete kenmerken te kijken dan alleen een etiket te plakken. Zeven vragen die meer zeggen dan het etiket In plaats van onmiddellijk te vragen ‘Was ik geïndoctrineerd?’ kun je onderzoeken: Kon ik fundamentele vragen stellen zonder bang te zijn voor wat anderen van mij zouden denken? Kon ik informatie vóór en tegen mijn overtuiging onderzoeken? Werd mij geleerd hóé ik moest denken of ook wát de juiste conclusie moest zijn? Kon ik zeggen dat de organisatie ergens ongelijk in had zonder dat dit mijn positie binnen de groep veranderde? Kon ik mijn overtuiging veranderen zonder grote sociale gevolgen te verwachten? Kon ik onderscheid maken tussen Jehovah, de Bijbel, de organisatie en de mensen binnen de organisatie? Als ik in een ander gezin en een andere religie was geboren, hoe waarschijnlijk is het dat ik precies dezelfde overtuiging zelf had gevonden? Geen enkele vraag bewijst op zichzelf indoctrinatie. Samen kunnen ze wel zichtbaar maken hoeveel ruimte er werkelijk was om zelfstandig te onderzoeken . Wat heeft het BITE-model hiermee te maken? Indoctrinatie en het BITE-model zijn niet hetzelfde. Steven Hassans BITE-model kijkt breder naar vier gebieden van mogelijke autoritaire beïnvloeding: gedrag, informatie, gedachten en emoties . Indoctrinatie gaat vooral over de manier waarop overtuigingen worden aangeleerd en hoe kritisch die overtuigingen onderzocht kunnen worden. Het BITE-model onderzoekt daarnaast hoe gedrag, sociale omgeving, informatie en emoties invloed kunnen krijgen. Daarom vullen de twee begrippen elkaar aan. Ontdekken dat je beïnvloed bent, maakt je niet dom Mensen die hun overtuiging later veranderen kunnen zich schamen: Hoe heb ik dit ooit kunnen geloven? Maar dat is een weinig behulpzame conclusie. Onze overtuigingen ontstaan nooit in een vacuüm. Iedereen wordt beïnvloed door ouders, cultuur, opleiding, vrienden, media, ervaringen en de groepen waartoe hij behoort. Intelligente en kritische mensen zijn niet immuun voor sociale beïnvloeding. De betere vraag is daarom niet: ‘Hoe kon ik zo dom zijn?’ Maar: ‘Hoe is mijn overtuiging ontstaan, welke informatie had ik toen en hoeveel ruimte ervoer ik om haar werkelijk ter discussie te stellen?’ Je hoeft je oude overtuigingen niet allemaal af te wijzen Ontdekken dat je sterk bent beïnvloed betekent ook niet dat automatisch alles wat je hebt geleerd onwaar is. Dat zou opnieuw zwart-witdenken zijn. Misschien wil je bepaalde waarden behouden. Misschien geloof je nog steeds in Jehovah. Misschien blijf je christen. Misschien word je agnostisch of atheïstisch. Misschien weet je het nog niet. Zelfstandig denken betekent niet dat je verplicht bent tot een bepaalde nieuwe conclusie. Het betekent juist dat de conclusie opnieuw onderzocht mag worden . Tot slot Misschien is indoctrinatie uiteindelijk minder interessant als etiket dan als vraagstuk. Niet: ‘Was ik geïndoctrineerd: ja of nee?’ Maar: Hoe werd mijn wereldbeeld gevormd? Welke alternatieven kende ik? Welke informatie mocht ik onderzoeken? Welke emoties speelden mee? Hoe belangrijk was erbij horen? Wat gebeurde er wanneer ik afweek? En hoeveel ruimte had ik werkelijk om te zeggen: misschien geloof ik iets anders? Je kunt na dat onderzoek besluiten dat je overtuiging nog steeds klopt. Je kunt haar veranderen. Of je kunt zeggen: ‘Ik weet het nog niet.’ Ook dat is een mogelijke uitkomst van zelfstandig onderzoek. De belangrijkste vraag is misschien niet wie jou heeft beïnvloed, maar of je jezelf nu toestemming geeft om alles wat je hebt geleerd opnieuw te onderzoeken. Bronnen American Psychological Association - informatie over sociale beïnvloeding, conformiteit en groepsprocessen Robert Jay Lifton - Thought Reform and the Psychology of Totalism Edgar H. Schein - Coercive Persuasion Leon Festinger - A Theory of Cognitive Dissonance Steven Hassan - Freedom of Mind en het BITE Model of Authoritarian Control JW.org - Hoe word ik een Getuige van Jehovah? JW.org - Dwingen Jehovah’s Getuigen hun kinderen om hun geloof aan te hangen? JW.org - publicaties over afvalligheid en informatie van afvalligen De Wachttoren - artikelen over ouders, kinderen en de doop Zie ook in A-Z Psychologie BITE-model - Hoe kunnen gedrag, informatie, gedachten en emoties door een groep worden beïnvloed? Groepsdruk - Waarom passen mensen zich aan de normen van een groep aan? Internalisering - Hoe kan een norm van buitenaf uiteindelijk als je eigen innerlijke stem gaan voelen? Socialisatie - Hoe leren we de waarden en gedragingen van de groepen waarin we leven? Cognitieve dissonantie - Wat gebeurt er wanneer informatie en overtuigingen met elkaar botsen? Zwart-witdenken - Waarom ziet ons brein soms vooral twee tegenovergestelde mogelijkheden?