Herkenbare vragen

- Heb je weleens gemerkt dat je je sneller verbonden voelt met mensen uit je eigen groep dan met buitenstaanders?

- Voelt ‘wij’ automatisch vertrouwder of veiliger dan ‘zij’?

- Worden fouten binnen je eigen groep soms makkelijker verklaard of vergeven dan dezelfde fouten bij een andere groep?

- Heb je gemerkt dat positieve informatie over je eigen groep sneller overtuigt dan kritiek erop?

- Lijken mensen buiten je eigen groep soms meer op elkaar dan wanneer je ze individueel leert kennen?

- Kun je loyaal zijn aan een groep en tegelijkertijd kritisch blijven kijken naar die groep?

- Hoe beïnvloedt een sterk wij-zij-gevoel je oordeel zonder dat je dat bewust merkt?

Wat is ingroup- en outgroup-denken?

In de sociale psychologie wordt een groep waarmee iemand zichzelf identificeert een ingroup genoemd. Mensen die daar niet toe behoren vormen vanuit dat perspectief een outgroup.
Dat kan gaan over bijna iedere groepsindeling:

familie
school
sportclub
religie
land
politieke partij
beroep
subcultuur
online gemeenschap

Zodra mensen zichzelf als onderdeel van een groep zien, kan een eenvoudig onderscheid ontstaan:

WIJ
mijn groep
vertrouwd
herkenbaar

        ↕

ZIJ
andere groep
minder bekend
anders

Dat is op zichzelf niet verkeerd. Groepen geven mensen verbondenheid, identiteit, steun en betekenis.

Waarom beoordelen we onze eigen groep vaak positiever?

Onderzoek van sociaal psycholoog Henri Tajfel liet zien dat zelfs heel kleine en willekeurige groepsindelingen al voldoende kunnen zijn om voorkeur voor de eigen groep te laten ontstaan.
In zijn zogenoemde minimal group-onderzoek werden mensen op vrijwel betekenisloze gronden in groepen verdeeld. Toch gaven deelnemers leden van hun eigen groep vaak een gunstiger behandeling.
Daaruit ontstond later de Social Identity Theory, ontwikkeld door Tajfel en John Turner.
Een deel van ons zelfbeeld kan afkomstig zijn uit de groepen waartoe we behoren:

MIJN GROEP
is waardevol

        ↓

IK BEHOOR
tot die groep

        ↓

dat kan ook iets zeggen
over hoe ik mezelf zie

Wanneer de groep positief wordt beoordeeld, kan dat dus indirect ook het eigen zelfbeeld ondersteunen.

Een eenvoudig voorbeeld

Stel dat twee basisscholen tegen elkaar voetballen.
Kinderen van school A vinden hun school waarschijnlijk leuker.
Kinderen van school B vinden hún school waarschijnlijk leuker.
Beide groepen kunnen denken:
‘Wij zijn gezelliger.’
‘Wij spelen eerlijker.’
‘Onze supporters zijn leuker.’
Daar hoeft niemand hen bewust voor te hebben geleerd.
De groepsindeling zelf kan al voldoende zijn om een gevoel van ‘wij’ te versterken.

Dezelfde gebeurtenis, een andere uitleg

Ingroupdenken kan invloed hebben op hoe gedrag wordt geïnterpreteerd.

IEMAND UIT MIJN GROEP
maakt een fout

→ hij had een slechte dag
→ er waren omstandigheden
→ zo is hij normaal niet


IEMAND UIT EEN ANDERE GROEP
maakt dezelfde fout

→ typisch voor die mensen
→ zie je wel
→ zo zijn zij

Dit gebeurt niet altijd, maar het is een bekende menselijke neiging.
Daarom kunnen twee groepen naar precies dezelfde gebeurtenis kijken en toch tot verschillende conclusies komen.

Outgroup-homogeniteit: ‘zij zijn allemaal hetzelfde’

Nog een bekend verschijnsel is het outgroup-homogeneity effect.
Mensen zien vaak meer verschillen tussen leden van hun eigen groep:
‘Wij zijn allemaal heel verschillend.’
Maar van een andere groep wordt sneller gedacht:
‘Die zijn allemaal hetzelfde.’
Dat kan bijvoorbeeld gebeuren bij religieuze, politieke of culturele groepen.
Hoe beter mensen individuele leden van een andere groep leren kennen, hoe moeilijker het vaak wordt om hen als één uniforme groep te zien.

Wat gebeurt er als groepen tegenover elkaar komen te staan?

Muzafer Sherif onderzocht dit in het beroemde Robbers Cave Experiment.
Jongens op een zomerkamp werden in twee groepen verdeeld. Nadat competitie tussen de groepen werd geïntroduceerd, ontstonden snel vijandigheid, negatieve stereotypen en sterke groepsloyaliteit.
Alleen vriendelijk contact bleek niet altijd voldoende om dat weer te verminderen.
Toen beide groepen echter moesten samenwerken aan doelen die geen van beide groepen alleen kon bereiken, verminderde de vijandigheid.

WIJ versus ZIJ
        ↓
competitie
        ↓
meer groepsdenken
        ↓
meer negatieve beelden


maar:

GEDEELD PROBLEEM
        ↓
samenwerking nodig
        ↓
gemeenschappelijk doel
        ↓
wij-zij-grens kan afnemen

Daaruit kwam een belangrijk inzicht voort: de manier waarop groepen met elkaar afhankelijk zijn, kan groepsdenken versterken of juist verminderen.

Religieuze groepen

Religie kan een sterke sociale identiteit vormen.
Uitspraken als:

“Wij hebben de waarheid.”
“Wij zijn Gods volk.”
“Wij krijgen Gods geest.”
“Wij zullen gered worden.”
kunnen een duidelijke grens tussen ingroup en outgroup creëren.
Dat mechanisme is niet uniek voor Jehovah’s Getuigen.
Varianten ervan kunnen voorkomen bij christenen, moslims, hindoes, politieke bewegingen, activistische groepen, nationalistische bewegingen, online gemeenschappen en zelfs groepen van voormalige gelovigen.
De inhoud verschilt.
Het psychologische mechanisme kan vergelijkbaar zijn.

Jehovah’s Getuigen als voorbeeld

Binnen Jehovah’s Getuigen is de groepsgrens relatief duidelijk. Er bestaat bijvoorbeeld een onderscheid tussen mensen binnen de gemeente en mensen die niet tot de organisatie behoren.
Dat betekent niet dat iedere Jehovah’s Getuige negatief naar buitenstaanders kijkt of dat sterke groepsidentiteit automatisch ongezond is.
Wel kan een sterk onderscheid tussen ‘wij’ en ‘de wereld’ beïnvloeden welke informatie vanzelf betrouwbaar aanvoelt.
Bijvoorbeeld:

INFORMATIE UIT
EIGEN GROEP

→ bekend
→ vertrouwd
→ past bij groepsbeeld
→ sneller geloofwaardig


KRITIEK VAN BUITENAF

→ afkomstig van buitenstaanders
→ mogelijk bedreigend
→ past minder bij groepsbeeld
→ sneller wantrouwen

Dat hoeft geen bewuste keuze te zijn.
Hetzelfde proces kan ook na het verlaten van een religie ontstaan wanneer iemand zich sterk identificeert met een groep voormalige leden.

‘Wij hebben de waarheid’

Een uitspraak als ‘wij hebben de waarheid’ doet psychologisch meer dan alleen een religieuze overtuiging beschrijven.
Wanneer een groep zichzelf ziet als de enige groep met de juiste waarheid, kan een extra laag ontstaan:

WIJ
hebben de waarheid

        ↓

ZIJ
hebben die niet

        ↓

informatie vanuit WIJ
krijgt automatisch
meer geloofwaardigheid

        ↓

informatie vanuit ZIJ
kan automatisch
verdachter worden

Of die religieuze overtuiging waar of onwaar is, kan de psychologie niet bepalen.
Psychologie kan alleen onderzoeken wat zo'n overtuiging met groepswaarneming en informatieverwerking kan doen.

Sterke groepsidentiteit is niet automatisch indoctrinatie

Dit onderscheid is belangrijk.
Mensen kunnen zeer sterk verbonden zijn met:

  • hun familie; een geloof; een land; een voetbalclub; een politieke beweging; een beroepsgroep.
    Dat betekent niet automatisch dat zij gemanipuleerd of geïndoctrineerd zijn.
    De interessantere vragen zijn:
    Mag iemand kritiek geven op zijn eigen groep?
    Mag iemand informatie van buiten onderzoeken?
    Kan iemand van mening veranderen zonder grote sociale gevolgen?
    Wordt een buitenstaander beoordeeld op wat hij zegt, of vooral op het feit dat hij buiten de groep staat?
    Daar begint het verschil tussen gewone groepsidentiteit en een groepscultuur waarin zelfstandig denken moeilijker kan worden.

Ook voormalige leden hebben een ingroup

Na het verlaten van een sterke groep kan iemand zich aansluiten bij een nieuwe gemeenschap.
Bijvoorbeeld:

vroeger:

‘wij Jehovah’s Getuigen’
versus
‘de wereld’


later mogelijk:

‘wij ex-JG’s’
versus
‘Jehovah’s Getuigen’

Ook dan kan dezelfde menselijke neiging optreden.
Een negatieve bewering over Jehovah’s Getuigen kan bijvoorbeeld sneller worden geloofd omdat zij past bij ervaringen of het nieuwe groepsbeeld.
Daarom hoort kritisch denken aan beide kanten te gelden.

NIET:

‘het komt van JW.org
dus het is waar’

maar ook niet:

‘het komt van een ex-JG
dus het is waar’


WEL:

wat is de bron?
wat is het bewijs?
kan ik het controleren?

Kan contact tussen groepen helpen?

Vaak wel, maar niet ieder contact werkt automatisch.
Onderzoek naar de contacthypothese laat zien dat contact vooral gunstig kan zijn wanneer mensen elkaar onder redelijk gelijkwaardige omstandigheden ontmoeten, samenwerken en gemeenschappelijke doelen hebben.
Dat sluit aan bij Sherifs bevindingen.
Een persoon uit ‘de andere groep’ wordt dan minder snel alleen vertegenwoordiger van die groep en meer een afzonderlijk mens.

Vragen om over na te denken

  • Wanneer iemand uit mijn eigen groep iets zegt, controleer ik het even zorgvuldig als wanneer een buitenstaander hetzelfde zegt?

  • Verklaar ik fouten van mijn eigen groep anders dan fouten van een andere groep?

  • Zie ik mensen buiten mijn groep als individuen, of vooral als vertegenwoordigers van ‘hen’?

  • Kan ik positieve eigenschappen erkennen bij een groep waarmee ik het fundamenteel oneens ben?

  • Kan ik kritiek op mijn eigen groep onderzoeken zonder onmiddellijk het gevoel te hebben dat ik de groep verraad?

  • Welke groepen vormen tegenwoordig een belangrijk onderdeel van mijn identiteit?

  • Is mijn oordeel gebaseerd op wat iemand zegt en doet, of speelt zijn groepslidmaatschap ongemerkt mee?

Samenvatting

Ingroup- en outgroup-denken is een normaal menselijk verschijnsel.
Mensen voelen zich vaak sterker verbonden met hun eigen groep, beoordelen die soms positiever en kunnen buitenstaanders sneller als één categorie zien.
Tajfels onderzoek liet zien dat zelfs minimale groepsverschillen al voorkeur voor de eigen groep kunnen oproepen. Sherifs onderzoek liet zien dat competitie wij-zij-denken kan versterken en dat samenwerking aan gedeelde doelen zulke grenzen juist kan verminderen.

GROEPSLIDMAATSCHAP
        ↓
gevoel van ‘wij’
        ↓
verbondenheid
        ↓
kan leiden tot
voorkeur voor eigen groep
        ↓
en een gekleurder beeld
van ‘zij’

Dat geldt niet alleen voor religie en ook niet alleen voor Jehovah’s Getuigen.
De belangrijkste bescherming is daarom niet: geen groepen meer hebben.
Het is leren herkennen wanneer groepsloyaliteit ongemerkt bepaalt wie we geloven, wie we vertrouwen en hoe streng we dezelfde feiten beoordelen.

Bronnen en verdieping

Tajfel, H. – Experiments in Intergroup Discrimination, 1970. Klassiek onderzoek waarin zelfs minimale groepsindelingen al tot voorkeur voor de eigen groep konden leiden.
Tajfel, H. & Turner, J.C. – An Integrative Theory of Intergroup Conflict, 1979. Fundament van de Social Identity Theory.
Sherif, M. e.a. – Intergroup Conflict and Cooperation: The Robbers Cave Experiment, 1961. Klassiek onderzoek naar groepsvorming, competitie en samenwerking.
Allport, G.W. – The Nature of Prejudice, 1954. Belangrijk werk over vooroordelen en contact tussen groepen.
Pettigrew, T.F. & Tropp, L.R. – A Meta-Analytic Test of Intergroup Contact Theory, 2006. Grote meta-analyse naar de relatie tussen intergroepcontact en vooroordelen.

Lees ook

Sociale identiteit – Hoe groepslidmaatschap onderdeel kan worden van je zelfbeeld.
Groepsdruk – Hoe anderen invloed kunnen hebben op wat we zeggen en doen.
Groepsidentiteit – Wanneer ‘wie ik ben’ sterk verweven raakt met ‘wie wij zijn’.
Bevestigingsvooroordeel – Waarom informatie die bij onze overtuigingen past sneller overtuigt.
Autonoom denken – Informatie beoordelen zonder automatisch de conclusie van een groep over te nemen.