Herkenbare vragen

- Waarom pas ik mijn mening soms aan een groep aan?

- Waarom vertrouw ik sommige mensen of autoriteiten meer dan andere?

- Waarom kan de mening van een groep invloed hebben terwijl ik persoonlijk twijfel?

- Waarom voelen vaak herhaalde ideeën steeds vertrouwder?

- Welke invloed hebben muziek, beelden en emoties op hoe ik informatie ervaar?

- Waarom kan kritiek op mijn groep persoonlijk voelen?

- Hoe beïnvloeden verbondenheid, erkenning en angst voor uitsluiting mijn keuzes?

- Kan beïnvloeding bestaan zonder dat iemand mij bewust probeert te manipuleren?

- Hoe herken ik welke invloed op mij meespeelt?

- Hoe houd ik ruimte om zelf te blijven nadenken?

Wat is sociale beïnvloeding?

Mensen beïnvloeden elkaar iedere dag via ouders, school, vrienden, werk, media, reclame, sociale media, deskundigen, politieke bewegingen en religieuze gemeenschappen. Dat is niet automatisch negatief. Zonder sociale beïnvloeding zouden we nauwelijks taal, normen, samenwerking en sociale vaardigheden leren.
Sociale beïnvloeding betekent dat andere mensen invloed kunnen hebben op onze gedachten, gevoelens en gedrag. Dat begint al jong. We leren taal, gewoonten, normen en waarden van onze omgeving; dat proces heet socialisatie.
Veel daarvan is noodzakelijk en nuttig. Tegelijk nemen mensen ook ideeën over zonder iedere overtuiging eerst volledig te onderzoeken. De belangrijkste vraag is daarom niet alleen: ‘Word ik beïnvloed?’ Vrijwel iedereen wordt beïnvloed. Interessanter is: ‘Welke invloed speelt mee en hoeveel ruimte ervaar ik om zelf na te denken?’

Afhankelijkheid en macht

Macht hoeft niet te betekenen dat iemand rechtstreeks wordt gedwongen. In de sociale wetenschappen wordt macht ook verbonden aan afhankelijkheid.
Wanneer iets voor mij belangrijk is én ik daarvoor sterk afhankelijk ben van een persoon of groep, kan die ander meer invloed krijgen. Dat kan gaan om informatie, inkomen, deskundigheid, erkenning, liefde, veiligheid, sociale contacten of ergens bij mogen horen.
Dat betekent niet automatisch dat die invloed wordt misbruikt. Een arts heeft bijvoorbeeld invloed vanwege medische deskundigheid en ouders hebben veel invloed op jonge kinderen omdat kinderen van hen afhankelijk zijn.
Nuttige vragen zijn daarom: ‘Waar komt deze invloed vandaan? Hoe afhankelijk ben ik? Welke alternatieven heb ik?’

Conformiteit

Conformiteit betekent dat iemand zijn gedrag, oordeel of mening meer in overeenstemming brengt met een groep.
Dat kan verstandig zijn. Als iedereen aan één kant van een gevaarlijke weg loopt, kan aanpassen nuttig zijn. Maar groepsinvloed kan er ook voor zorgen dat iemand zich aanpast terwijl hij persoonlijk twijfelt.
De klassieke experimenten van Solomon Asch lieten zien dat de antwoorden van anderen zelfs invloed kunnen hebben bij een eenvoudige waarnemingstaak.
Conformeren betekent niet dat iemand zwak of dom is. Mensen zijn sociale wezens en ergens bij horen is belangrijk.

Informationele sociale invloed

Wanneer we niet goed weten wat er aan de hand is, kijken we vaak naar anderen:
‘Ik weet het niet zeker → wie lijkt het wel te weten? → diens informatie krijgt meer gewicht.’
Dat heet informationele sociale invloed.
Bij een medisch probleem is het bijvoorbeeld logisch dat het oordeel van een arts meer gewicht krijgt dan dat van iemand zonder medische kennis.
Toch blijven nuttige vragen mogelijk: ‘Heeft deze persoon werkelijk deskundigheid op dit gebied? Waarop is de conclusie gebaseerd? Zijn er andere betrouwbare bronnen?’

Normatieve sociale invloed

Soms passen mensen zich niet aan omdat zij denken dat de groep gelijk heeft, maar omdat ze erbij willen blijven horen.
Dat heet normatieve sociale invloed.
Het kan voorkomen op school, binnen families, vriendengroepen, bedrijven, online gemeenschappen en religieuze groepen.
De kernvraag is dan niet alleen ‘Wat vind ik?’, maar ook ‘Wat verwacht mijn groep en wat kost het als ik afwijk?’
Angst voor kritiek, afwijzing of uitsluiting kan gedrag beïnvloeden zonder dat iemands persoonlijke overtuiging werkelijk verandert.
Een belangrijke vraag is daarom: ‘Doe ik dit omdat ik overtuigd ben, of omdat afwijken iets kan kosten?’

Klassieke conditionering

Ivan Pavlovs onderzoek vormde de basis voor wat we nu klassieke of Pavloviaanse conditionering noemen.
Wanneer een aanvankelijk neutrale prikkel herhaaldelijk wordt gekoppeld aan iets dat vanzelf een reactie oproept, kan die neutrale prikkel uiteindelijk zelf die reactie oproepen.
Ook mensen leren zulke associaties. Woorden, geluiden, beelden, personen en plaatsen kunnen door ervaringen een sterke emotionele lading krijgen.
Voor sommige huidige of voormalige Jehovah’s Getuigen kunnen bijvoorbeeld woorden als Armageddon, ouderlingen of uit de gemeente verwijderd onmiddellijk emoties oproepen.
Dat zegt op zichzelf niets over de waarheid of onwaarheid van een overtuiging. Het laat zien dat ons brein verbindingen tussen gebeurtenissen en gevoelens kan leren.

Herhaling en vertrouwdheid

Wanneer we iets vaker tegenkomen wordt het bekender en gemakkelijker te verwerken. Onderzoek naar het mere-exposure-effect laat zien dat herhaalde blootstelling onder bepaalde omstandigheden ook onze beoordeling kan beïnvloeden.
Maar:
vertrouwd ≠ bewezen waar.
Het is te simpel om te zeggen: ‘Als iemand iets maar vaak genoeg hoort, gaat hij het vanzelf geloven.’
Herhaling kan wel invloed hebben op bekendheid, herkenning, vertrouwdheid en verwerking. Dat gebeurt in reclame, onderwijs, nieuws, sociale media, opvoeding en religieuze bijeenkomsten.

Muziek, emotie en beeldvorming

Informatie bestaat niet alleen uit woorden. Muziek, montage, stemgebruik, gezichtsuitdrukkingen, beelden en tempo kunnen mede bepalen hoe een boodschap wordt ervaren.
Filmmakers gebruiken dit voortdurend. Hetzelfde gebeurt in reclames, documentaires, nieuwsproducties, kinderprogramma’s, sociale media en religieuze audiovisuele programma’s.
Dat betekent niet dat de kijker daardoor willoos wordt bestuurd.
Wel kan het nuttig zijn twee vragen uit elkaar te houden: ‘Welke informatie krijg ik?’ en ‘Welke emotie wordt rondom die informatie opgeroepen?’

Cognitieve dissonantie

Wanneer ons gedrag, onze ervaringen en overtuigingen niet goed bij elkaar passen, kan spanning ontstaan. Leon Festinger noemde dit cognitieve dissonantie.
Bijvoorbeeld: ‘Ik wil gezond leven’ en tegelijkertijd ‘Ik rook iedere dag.’
Die spanning kan leiden tot verschillende reacties: gedrag veranderen, een overtuiging herzien, een verklaring zoeken of informatie anders interpreteren.
Hetzelfde kan gebeuren wanneer nieuwe informatie botst met politieke, religieuze of persoonlijke overtuigingen.
Cognitieve dissonantie betekent daarom niet automatisch dat iemand zichzelf bewust voor de gek houdt.

De zeven beïnvloedingsprincipes van Cialdini

Robert Cialdini beschreef zeven bekende principes die invloed kunnen hebben op de bereidheid om met een verzoek of boodschap mee te gaan: wederkerigheid, commitment en consistentie, sociale bewijskracht, sympathie, autoriteit, schaarste en eenheid.
Wederkerigheid betekent dat we vaak iets terug willen doen wanneer iemand iets voor ons doet. Commitment en consistentie houdt in dat eerdere keuzes latere keuzes kunnen beïnvloeden. Sociale bewijskracht betekent dat wat veel anderen doen gemakkelijker juist of passend lijkt. Sympathie maakt beïnvloeding gemakkelijker wanneer we iemand aardig vinden. Autoriteit geeft een boodschap extra gewicht wanneer iemand als deskundig of belangrijk wordt gezien. Schaarste kan iets aantrekkelijker maken wanneer het beperkt beschikbaar is. Eenheid verwijst naar de extra invloed die kan ontstaan wanneer we denken: ‘Deze persoon hoort bij ons.’
Deze principes zijn geen geheime knoppen waarmee mensen automatisch kunnen worden bestuurd. Het zijn algemene patronen die beslissingen mede kunnen beïnvloeden.

Groepsidentiteit

Volgens de Social Identity Theory van Henri Tajfel en John Turner kunnen groepslidmaatschappen onderdeel worden van hoe iemand zichzelf ziet.
Een groep kan daardoor veel positieve dingen geven: verbondenheid, steun, trots, samenwerking en gezamenlijke doelen.
Maar een sterke groepsidentiteit kan ook betekenen dat kritiek op de groep persoonlijker voelt:
‘kritiek op mijn groep’ → ‘kritiek op mij’.
Dat helpt verklaren waarom gesprekken over groepen waarmee we ons sterk identificeren snel emotioneel kunnen worden.

Diffusie van verantwoordelijkheid

Diffusie van verantwoordelijkheid is iets anders dan groepsdruk.
Wanneer veel mensen aanwezig zijn, kan iemand zich minder persoonlijk verantwoordelijk voelen:
‘Iemand anders zal wel iets doen.’
Bij conformiteit is de vraag vooral: ‘Wat doet de groep?’
Bij diffusie van verantwoordelijkheid is de vraag: ‘Wie is verantwoordelijk om iets te doen?’
Dit mechanisme speelt onder andere een rol in onderzoek naar het bystander-effect.

Hoe kan dit voorkomen binnen hechte of religieuze groepen?

Geen van deze mechanismen is uniek voor religie.
Ze kunnen voorkomen binnen gezinnen, scholen, bedrijven, sportteams, politieke bewegingen, activistische groepen, online gemeenschappen, religies én groepen van voormalige leden.
Binnen een geloofsgemeenschap kunnen bijvoorbeeld gezag, deskundigheid, groepsnormen, gedeelde identiteit, herhaling, persoonlijke verhalen en verbondenheid invloed hebben.
Dat betekent niet automatisch dat sprake is van manipulatie.
Voor iemand die Jehovah’s Getuige is kunnen bijeenkomsten, Bijbelstudie en contact met geloofsgenoten oprecht verbonden zijn met geloof, vreugde, zekerheid en verbondenheid.
Een voormalig Jehovah’s Getuige kan naar sommige van dezelfde ervaringen kijken en zich afvragen hoeveel invloed sociale normen of religieus gezag op bepaalde keuzes hadden.
De psychologie hoeft niet te bepalen welke conclusie iemand daaruit moet trekken. Ze kan wel helpen preciezere vragen te stellen.

Beïnvloeding is niet hetzelfde als manipulatie

Het is belangrijk die begrippen niet automatisch gelijk te stellen.
Beïnvloeding is normaal menselijk gedrag. Ouders beïnvloeden kinderen, leraren leerlingen, vrienden elkaar en deskundigen mensen die hun advies vragen.
Manipulatie veronderstelt doorgaans een specifieker patroon waarbij beïnvloeding op een problematische of misleidende manier wordt ingezet.
Alleen vaststellen dat iemand is beïnvloed zegt daarom nog niet hoe, hoe sterk, met welke bedoeling of met welk gevolg.

Vragen om over na te denken

  • Welke mensen en groepen hebben veel invloed op mij?

  • Waarom vertrouw ik hen?

  • Van welke mensen of groepen ben ik sterk afhankelijk?

  • Welke overtuigingen heb ik zelf onderzocht?

  • Welke ideeën heb ik vooral vaak gehoord?

  • Pas ik mij soms aan omdat ik graag bij een groep wil horen?

  • Wat denk ik dat het mij kost wanneer ik afwijk?

  • Kan ik informatie bekijken die niet overeenkomt met mijn huidige mening?

  • Heeft degene naar wie ik luister werkelijk deskundigheid op dit specifieke gebied?

  • Welke emoties spelen mee wanneer ik een beslissing neem?

  • Welke rol spelen herhaling, muziek, beelden, status of groepsidentiteit?

  • Wat gebeurt er wanneer iemand kritiek heeft op een groep waarmee ik mij identificeer?

  • Vraag ik iemand om informatie, advies of eigenlijk om toestemming?

  • Wat zou mij van mening kunnen doen veranderen?

  • Als ik merk dat ik word beïnvloed, heb ik dan ruimte om opnieuw na te denken?

Samenvatting

Sociale beïnvloeding is geen uitzondering op normaal menselijk gedrag. Het is onderdeel van menselijk gedrag.
We leren van anderen, vertrouwen deskundigen, passen ons soms aan groepsnormen aan, verbinden onze identiteit met groepen en reageren op herhaling, emotie, autoriteit en verbondenheid.
Dat heeft veel nuttige functies. Zonder sociale invloed zouden opvoeding, onderwijs, samenwerking en cultuur nauwelijks mogelijk zijn.
Maar dezelfde processen kunnen er ook voor zorgen dat we minder bewust stilstaan bij de vraag waarom we iets denken of doen.
Binnen hechte of religieuze groepen kunnen mechanismen als informationele en normatieve sociale invloed, afhankelijkheid, conditionering, herhaling, emotionele presentatie, cognitieve dissonantie, autoriteit en groepsidentiteit tegelijk een rol spelen.
Dat betekent niet automatisch dat sprake is van manipulatie en ook niet dat een overtuiging daardoor waar of onwaar is.
Kennis over beïnvloeding hoeft daarom niet vooral een manier te zijn om naar anderen te wijzen. Ze kan beginnen met:
‘Ook mijn eigen denken wordt beïnvloed.’
Het doel is niet alle invloed uit je leven te verwijderen; dat is onmogelijk. Het doel kan wel zijn invloed beter te herkennen, informatie te blijven onderzoeken en zo bewust mogelijk verantwoordelijkheid te nemen voor je eigen keuzes.

Bronnen en verdieping

Solomon Asch – klassiek onderzoek naar conformiteit en groepsinvloed. Over de invloed van groepsantwoorden op individueel oordeel.
John R.P. French & Bertram Raven – The Bases of Social Power, 1959. Over verschillende bronnen van sociale macht.
Richard M. Emerson – Power-Dependence Relations, 1962. Over de relatie tussen afhankelijkheid en macht.
Ivan P. Pavlov – klassiek onderzoek naar conditionering. Basis voor het begrip klassieke conditionering en associatief leren.
Leon Festinger – A Theory of Cognitive Dissonance, 1957. Over spanning tussen overtuigingen, gedrag en ervaringen.
Robert B. Cialdini – Influence. Over wederkerigheid, consistentie, sociale bewijskracht, sympathie, autoriteit, schaarste en eenheid.
Henri Tajfel & John Turner – Social Identity Theory. Over de rol van groepslidmaatschap in identiteit.
John Darley & Bibb Latané – onderzoek naar het bystander-effect. Over diffusie van verantwoordelijkheid.
Onderzoek naar het mere-exposure-effect. Over herhaalde blootstelling, bekendheid en beoordeling.
Onderzoek naar muziek en audiovisuele framing. Over de invloed van geluid, beeld en presentatie op emotionele interpretatie.

Lees ook

Conditionering – Hoe kunnen woorden, beelden en situaties sterke emotionele reacties gaan oproepen?
Conformiteit – Waarom passen mensen hun gedrag of oordeel soms aan een groep aan?
Cognitieve dissonantie – Wat gebeurt er wanneer overtuigingen, gedrag en ervaringen met elkaar botsen?
Groepsidentiteit – Hoe wordt ‘wij’ onderdeel van ‘wie ik ben’?
Groepsdruk – Hoe beïnvloeden verwachtingen van een groep onze keuzes?
Internalisering – Hoe worden normen en verwachtingen onderdeel van onze eigen innerlijke stem?
Socialisatie – Hoe leren we normen, waarden en overtuigingen uit onze omgeving?