Herkenbare vragen

- Zijn het alleen de ouders die een kind religieus opvoeden?

- Welke rol spelen ouderlingen, lezingen, publicaties en andere gemeenteleden?

- Wat betekent de Bijbelse opdracht om Gods woorden bij kinderen ‘in te prenten’?

- Hoe leert een kind welk gedrag bij ‘de waarheid’ hoort?

- Wat gebeurt er wanneer verschillende volwassenen dezelfde normen bevestigen?

- Kan een ouderling een kind rechtstreeks aanspreken op wat het kijkt of doet?

- Is dat geloofsopvoeding, betrokkenheid of sociale invloed?

- Wanneer kan geloofsopvoeding belastend worden?

- Hoeveel ruimte ervaart een kind om later zelf te bepalen wat het gelooft?

Geloofsopvoeding begint bij de ouders

Binnen Jehovah’s Getuigen ligt de eerste verantwoordelijkheid voor de geestelijke opvoeding van kinderen bij de ouders. Een belangrijke Bijbeltekst daarbij is Deuteronomium 6:6, 7. Daar krijgen ouders de opdracht Gods woorden bij hun kinderen ‘in te prenten’ en erover te spreken thuis, onderweg, bij het naar bed gaan en bij het opstaan.
Vanuit het geloof van Jehovah’s Getuigen is dat iets positiefs. Wanneer ouders ervan overtuigd zijn dat zij de waarheid over Jehovah hebben gevonden, willen zij die vanzelfsprekend aan hun kinderen doorgeven. Geloofsopvoeding kan daardoor vanaf zeer jonge leeftijd onderdeel zijn van het dagelijkse gezinsleven.

Wat betekent ‘inprenten’?

De gedachte achter Deuteronomium is dat Gods woorden herhaaldelijk en zorgvuldig aan kinderen worden onderwezen en onderdeel worden van het gewone leven.
Binnen een JG-gezin kan dat gebeuren tijdens gezinsaanbidding, Bijbellezen, gebed, voorbereiding op bijeenkomsten, de prediking en gesprekken over school, vrienden, kleding, entertainment en gedrag.
Een kind leert daardoor niet alleen wat Jehovah’s Getuigen geloven. Het leert ook hoe die overtuigingen op dagelijkse situaties worden toegepast.

Maar ouders vormen het geloof niet alleen

Een kind dat opgroeit als Jehovah’s Getuige ontvangt religieuze boodschappen meestal niet uitsluitend van vader en moeder. Het ontmoet dezelfde geloofswereld via ouderlingen, andere gemeenteleden, bijeenkomsten, lezingen, publicaties, filmpjes, congressen, velddienst en andere kinderen binnen de gemeente.
Hoe sterk die invloed is, verschilt per gezin en gemeente. Ook ouderlingen verschillen. De ene ouderling heeft veel persoonlijk contact met kinderen en jongeren, terwijl een andere zich daar nauwelijks mee bezighoudt.
Een kind groeit dus niet alleen op binnen een religieus gezin, maar ook binnen een bredere religieuze gemeenschap.

Kinderen worden tijdens bijeenkomsten rechtstreeks aangesproken

Een lezing in de Koninkrijkszaal is niet alleen voor volwassenen. Sprekers kunnen kinderen en jongeren rechtstreeks aanspreken over bijvoorbeeld respect voor ouders, eerlijkheid, gehoorzaamheid, vrienden, school, entertainment, verkering, bijeenkomsten en prediking.
Vanuit het geloof is dat Bijbels onderwijs. Ouders kunnen het prettig vinden dat waarden die zij thuis proberen over te brengen ook in de gemeente worden bevestigd.
Psychologisch gebeurt tegelijkertijd iets anders: dezelfde norm komt niet alleen van vader of moeder, maar ook van andere volwassenen die binnen de gemeenschap geestelijk gezag of aanzien hebben.

Ouderlingen kunnen een kind persoonlijk aanspreken

Die invloed hoeft niet beperkt te blijven tot een lezing. Een ouderling kan een kind persoonlijk complimenteren, vragen stellen of ergens raad over geven.
Een zuster beschreef bijvoorbeeld dat een ouderling bij haar gezin thuis was terwijl op televisie een tekenfilm met draken aanstond. Hij vroeg haar kind ongeveer:
‘Wat vind jij van deze tekenfilm?’
en daarna:
‘En wat denk je dat Jehovah ervan vindt als je hiernaar kijkt?’
Er was geen formeel herderlijk bezoek en er werd geen straf opgelegd. Het waren enkele vragen tijdens een alledaags moment.
Maar voor de moeder voelde het direct anders.

‘Ik kon wel door de grond zakken’

Zij beschreef haar reactie later ongeveer zo:
‘Ik kon wel door de grond zakken. Mijn eerste gedachte was: ik voed mijn kind blijkbaar niet goed op.’
De ouderling hoefde niet letterlijk te zeggen:
‘Jij bent een slechte moeder.’
De vraag aan het kind was voldoende om bij haarzelf een conclusie over haar ouderschap op te roepen.
Dat laat zien hoe religieuze normen ook via verantwoordelijkheid, schuldgevoel en het eigen geweten kunnen werken.
De ouderling kan het volledig als liefdevolle geestelijke begeleiding hebben bedoeld. De moeder kon het tegelijkertijd ervaren als een beoordeling van haar opvoeding.
Beide perspectieven kunnen naast elkaar bestaan.

Waarom ‘Wat vindt Jehovah?’ zoveel gewicht kan hebben

Er zit verschil tussen:
‘Vind jij deze tekenfilm geschikt?’
en:
‘Wat vindt Jehovah ervan dat je hiernaar kijkt?’
Bij de eerste vraag kan een kind nadenken over zijn eigen mening. Bij de tweede wordt het gedrag verbonden aan wat God ervan zou vinden.
Voor een kind dat werkelijk gelooft dat Jehovah ziet wat het doet en dat een goede verhouding met hem belangrijk is, kan zo’n vraag veel gewicht hebben.
Dat betekent niet automatisch dat de vraag schadelijk is. Religieuze ouders stellen vergelijkbare morele vragen vanuit hun overtuiging.
Maar psychologisch verschuift de bron van de norm. Het is niet langer alleen:
‘Een ouderling vindt deze tekenfilm niet verstandig.’
Het kan door het kind worden ervaren als:
‘Jehovah vindt dat ik hier niet naar moet kijken.’

Wie bepaalt wat Jehovah ervan vindt?

Soms gaat het om gedrag waarvoor binnen Jehovah’s Getuigen een duidelijke religieuze regel bestaat. In andere situaties wordt een Bijbels beginsel toegepast op iets waarvoor geen specifieke Bijbeltekst zegt:
‘Deze film mag wel en deze film mag niet.’
Bij entertainment kunnen bijvoorbeeld thema’s als geweld, occultisme, magie of seksualiteit worden meegewogen.
Dan is het nuttig onderscheid te maken tussen wat letterlijk in de Bijbel staat, hoe de organisatie een Bijbels beginsel uitlegt en hoe een individuele ouder of ouderling dat beginsel op een concrete situatie toepast.
Voor een kind kunnen die drie gemakkelijk samenvallen tot:
‘Jehovah wil dit niet.’

Ook andere gemeenteleden hebben invloed

Niet alleen ouderlingen kunnen gedrag bevestigen of corrigeren. Ook een broeder of zuster kan een ouder of kind ergens op aanspreken. Dat kan serieus gebeuren, maar ook vriendelijk, grappig of terloops.
Een voorbeeld is een gezin waarin de kinderen met oud en nieuw geen vuurwerk mochten afsteken. De volgende dag zochten zij buiten naar vuurwerk dat niet was afgegaan en probeerden dat alsnog af te steken.
Een buurvrouw die ook Jehovah’s Getuige was, liep langs en zei:
‘Gaat-ie lekker, broeders?’
Er werd geen straf aangekondigd en zij zei niet eens rechtstreeks dat de kinderen moesten stoppen.
Maar juist het woord ‘broeders’ kan binnen die context een extra boodschap bevatten:
jullie zijn jonge Jehovah’s Getuigen — past wat jullie nu doen daarbij?

Hoe groepsnormen worden aangeleerd

Psychologische beïnvloeding hoeft niet uit lange gesprekken of expliciete regels te bestaan. Kinderen leren mede door reacties van belangrijke mensen om hen heen.
Een compliment, blik, grapje of korte opmerking kan informatie geven:
‘Dit gedrag past bij ons.’
of:
‘Dit verwachten we eigenlijk niet van iemand zoals jij.’
Dat is niet automatisch manipulatie. Het is een normaal proces van socialisatie en sociale beïnvloeding en gebeurt ook thuis, op school en bij sportverenigingen.
Wanneer een kind thuis een bepaalde norm leert, tijdens een lezing hetzelfde hoort, een ouderling ernaar verwijst en vrienden binnen de gemeente volgens dezelfde norm leven, kunnen die boodschappen elkaar versterken.
Het kind leert dan:
‘Dit is niet alleen wat mijn ouders vinden. Dit is hoe wij als Jehovah’s Getuigen leven.’

Ook positieve aandacht vormt

Geloofsopvoeding gebeurt zeker niet alleen door correctie. Een kind dat een goede bijdrage levert kan complimenten krijgen. Een jongere die meegaat in de prediking kan worden aangemoedigd. Wanneer een kind ongedoopte verkondiger wordt, kunnen gemeenteleden enthousiast reageren.
Een gerespecteerde ouderling kan een kaartje sturen of zeggen hoe fijn hij het vindt dat een jongere geestelijke vooruitgang maakt.
Dat kan volledig oprecht en liefdevol zijn.
Psychologisch leert een kind tegelijkertijd:
‘Wanneer ik deze richting kies, krijg ik waardering van mensen die belangrijk voor mij zijn.’
Correctie én waardering helpen zo mee bepalen welke normen vanzelfsprekend worden.

Dat kan veiligheid en duidelijkheid geven

Daar zit ook een positieve kant aan. Een consistente omgeving kan voor een kind overzichtelijk zijn. Thuis, in de Koninkrijkszaal en bij vrienden gelden grotendeels dezelfde waarden.
Het kind weet wat van hem wordt verwacht.
Een religieuze gemeenschap kan bovendien meerdere volwassenen rond een kind plaatsen die belangstelling tonen, helpen, complimenten geven en het gevoel geven:
‘Jij hoort bij ons.’
Voor sommige kinderen kan dat veel verbondenheid, zekerheid en veiligheid bieden.

Wanneer wordt beïnvloeding sociale druk?

Iedere opvoeding beïnvloedt kinderen. Dat is onvermijdelijk. Ouders brengen taal, omgangsvormen, normen en overtuigingen over goed en kwaad over.
Daarom zou het onjuist zijn iedere religieuze beïnvloeding meteen indoctrinatie of schadelijke sociale controle te noemen.
Het wordt psychologisch relevanter wanneer een kind ervaart dat vragen stellen, afwijken of later anders kiezen gevolgen kan hebben voor goedkeuring, verbondenheid, identiteit of belangrijke relaties.
Dan kan een norm veel sterker worden dan wanneer een ouder alleen zegt:
‘Ik hoop dat je later hetzelfde gelooft als ik.’

‘De waarheid’ versterkt de betekenis

Binnen Jehovah’s Getuigen komt daar bijzonder taalgebruik bij. Een kind hoort niet alleen:
‘Wij zijn Jehovah’s Getuigen.’
maar ook:
‘Wij hebben de waarheid.’ ‘Je wordt in de waarheid opgevoed.’ ‘Blijf dicht bij Jehovah.’ ‘Maak geestelijke vorderingen.’
Daardoor kan het religieuze referentiekader voor een kind meer worden dan één mogelijke levensbeschouwing. Het kan eenvoudig voelen als:
‘Zo zit de werkelijkheid in elkaar.’
Wanneer een kind later twijfelt, kan de gedachte daarom niet alleen zijn:
‘Misschien geloof ik iets anders dan mijn ouders.’
maar:
‘Wat als ik de waarheid verlaat?’

Wat gebeurt er met het geweten?

Wanneer normen vaak genoeg worden herhaald en bevestigd, is uiteindelijk niet altijd iemand anders nodig om ze te handhaven.
Een kind kan zichzelf gaan corrigeren.
De vraag:
‘Wat zou Jehovah ervan vinden?’
kan later een innerlijke vraag worden die iemand zichzelf stelt, ook wanneer er geen ouder, ouderling of gemeentelid aanwezig is.
Psychologisch noemen we het proces waarbij externe normen onderdeel worden van iemands eigen overtuigingen en zelfsturing internalisering.
Dat is niet per definitie negatief. Het ontwikkelen van een geweten en persoonlijke waarden is een normaal onderdeel van opgroeien.
De belangrijke vraag is of iemand later ook ruimte ervaart om die geïnternaliseerde normen opnieuw te onderzoeken.

De invloed kan tot in de volwassenheid blijven bestaan

Dat kan verklaren waarom iemand jaren later nog een sterke emotionele reactie krijgt op iets waarover hij rationeel inmiddels anders denkt.
Een volwassene kan denken:
‘Ik vind hier persoonlijk niets verkeerds aan.’
en toch onmiddellijk schuld of spanning voelen.
Dat gevoel kan voortkomen uit normen die gedurende de jeugd sterk verbonden zijn geraakt met goedkeuring, Jehovah, identiteit en het eigen geweten.
Zo’n reactie bewijst niet dat de oude norm juist was. Maar het bewijst evenmin dat de norm onjuist was.
Het gevoel is echt; de betekenis ervan mag je opnieuw onderzoeken.

Wanneer kan geloofsopvoeding belastend worden?

Geloofsopvoeding op zichzelf is niet automatisch schadelijk. Religie kan kinderen betekenis, hoop, gemeenschap, structuur, morele richting en sociale steun geven.
Mogelijke psychologische belasting hangt veel meer af van de manier waarop een kind de opvoeding ervaart.
Kan het veilig vragen stellen? Mag het ergens anders over denken? Worden fouten verbonden aan buitensporige angst of schaamte? Blijft liefde beschikbaar wanneer het kind andere keuzes maakt? Kan een jongere uiteindelijk besluiten het geloof niet voort te zetten zonder het gevoel belangrijke relaties te verliezen?
Ook kinderen uit hetzelfde gezin kunnen precies dezelfde religieuze omgeving heel verschillend beleven.

Het verschil tussen schuld en verantwoordelijkheid

Het voorbeeld van de moeder bij de tekenfilm laat nog iets zien.
Haar onmiddellijke gedachte was:
‘Ik voed mijn kind niet goed op.’
Maar dat is niet hetzelfde als:
‘Ik heb mijn kind daadwerkelijk schade toegebracht.’
Een religieuze omgeving kan een sterk verantwoordelijkheidsgevoel bij ouders stimuleren. Dat kan hen motiveren aandachtig en betrokken op te voeden.
Maar verantwoordelijkheid kan overgaan in schuldgevoel wanneer een ouder voortdurend het gevoel krijgt dat de geestelijke keuzes van zijn kind iets zeggen over zijn eigen kwaliteit als vader of moeder.
Een nuttige vraag kan daarom zijn:
‘Heb ik werkelijk iets verkeerd gedaan, of voel ik mij schuldig omdat iemand mijn keuze anders beoordeelt?’

Een kind kiest niet vanaf een leeg vel

Een kind dat vanaf jonge leeftijd thuis, tijdens bijeenkomsten, in publicaties, in de velddienst en via belangrijke volwassenen dezelfde religieuze werkelijkheid leert kennen, begint later niet vanuit een neutrale positie.
Maar niemand begint volledig neutraal.
Ieder kind wordt gevormd door gezin, cultuur en omgeving.
Dat maakt een latere keuze voor Jehovah’s Getuigen niet automatisch ongeldig.
Het maakt het juist waardevol wanneer een jongere op een gegeven moment kan zeggen:
‘Dit heb ik van mijn ouders en gemeente meegekregen. Nu wil ik zelf onderzoeken waarom ik het geloof.’

Vrijwillig kiezen betekent ook dat een ander antwoord mogelijk moet voelen

Wanneer we over vrije geloofskeuze spreken, kunnen we daarom twee vragen stellen.
Niet alleen:
‘Mag mijn kind ervoor kiezen Jehovah’s Getuige te worden?’
maar ook:
‘Wat gebeurt er wanneer mijn kind uiteindelijk besluit dat niet te worden?’
Mag het twijfelen, moeilijke vragen stellen, informatie onderzoeken en zeggen dat het iets niet gelooft? Blijft het dezelfde geliefde zoon of dochter?
Een keuze krijgt psychologisch meer betekenis wanneer meer dan één antwoord werkelijk mogelijk voelt.

Vragen om over na te denken

  • Wie leerde mij als kind wat Jehovah van mij verwachtte?

  • Kwamen die boodschappen alleen van mijn ouders of ook van ouderlingen en gemeenteleden?

  • Welke keuzes leverden mij complimenten en waardering op?

  • Welke gedragingen werden gecorrigeerd?

  • Werd mij gevraagd wat ík ergens van vond, of vooral wat Jehovah ervan zou vinden?

  • Hoe werd bepaald wat Jehovah van een concrete film, hobby of keuze vond?

  • Kon ik onderscheid maken tussen een Bijbelse regel en de toepassing van een ouderling of gemeentelid?

  • Hoe voelde het wanneer iemand buiten mijn gezin mij op mijn gedrag aansprak?

  • Was dat voor mij betrokkenheid, bescherming, sociale invloed of iets daartussenin?

  • Voelde ik mij verantwoordelijk voor de geestelijke reputatie van mijn gezin?

  • Kan ik als ouder hopen dat mijn kind mijn geloof overneemt en tegelijkertijd ruimte laten voor een andere conclusie?

  • Als mijn kind zeker weet dat onze relatie veilig blijft wanneer het anders kiest, zou het dan dezelfde geloofskeuze maken?

Samenvatting

Geloofsopvoeding binnen Jehovah’s Getuigen vindt niet uitsluitend plaats tussen ouders en kinderen. Ouders hebben volgens de geloofsleer de eerste verantwoordelijkheid, maar rondom het kind bevindt zich een bredere religieuze gemeenschap.
Ouderlingen kunnen kinderen aanspreken, sprekers richten zich tijdens bijeenkomsten tot jongeren, publicaties en filmpjes brengen normen over en gemeenteleden kunnen gedrag bevestigen of corrigeren.
Dat kan veel verbondenheid, duidelijkheid, aandacht en veiligheid geven. Tegelijk kunnen normen daardoor van meerdere kanten worden bevestigd en diep onderdeel worden van identiteit en geweten.
Een vraag als ‘Wat zou Jehovah ervan vinden?’ hoeft niet met een slechte bedoeling te worden gesteld. Voor de ouderling of ouder kan het liefdevolle geestelijke begeleiding zijn. Voor het kind kan dezelfde vraag echter veel meer gewicht krijgen dan een gewone persoonlijke mening.
Daarom is bij geloofsopvoeding niet alleen belangrijk wat kinderen wordt geleerd, maar ook hoeveel ruimte zij krijgen om dat later zelf te onderzoeken.
Misschien is de belangrijkste vraag voor een gelovige ouder daarom niet alleen:
‘Heb ik mijn kind goed geleerd wat ik als de waarheid beschouw?’
maar ook:
‘Heb ik mijn kind voldoende liefde en veiligheid gegeven om later zelf te onderzoeken of het óók gelooft dat dit de waarheid is?’

Bronnen en verdieping

Nieuwewereldvertaling – Deuteronomium 6:6, 7; Spreuken 22:6; Efeziërs 6:1-4. Bijbelteksten over opvoeding, onderwijs en verantwoordelijkheid van ouders.
Jehovah’s Getuigen – publicaties over geestelijke opvoeding van kinderen en gezinsaanbidding. Over de rol van ouders bij geloofsopvoeding.
Watchtower Online Library – publicaties over ouders, kinderen, jongeren en geestelijke doelen. Achtergrond over geloofsontwikkeling binnen de gemeente.
Georganiseerd om Jehovah’s wil te doen. Over kinderen, jongeren en hun plaats binnen de gemeente.
Albert Bandura – Social Learning Theory. Over leren door observatie, voorbeeldgedrag en reacties uit de sociale omgeving.
Henri Tajfel & John Turner – Social Identity Theory. Over groepsidentiteit en het gevoel ergens bij te horen.
American Psychological Association – informatie over ontwikkeling, socialisatie en sociale beïnvloeding. Algemene psychologische achtergrond.

Lees ook

De waarheid – Wat betekent het om ‘in de waarheid’ te worden opgevoed?
Herderlijk bezoek – Welke rol kunnen ouderlingen spelen in persoonlijke geestelijke begeleiding?
Ongedoopte verkondiger – Welke stap kan een kind of jongere vóór de doop zetten?
Ouderling – Welke verantwoordelijkheid hebben ouderlingen binnen de gemeente?
Velddienst – Welke rol speelt de prediking in de geloofsopvoeding?
Werelds – Hoe leert een kind onderscheid maken tussen de gemeente en de wereld daarbuiten?