Herkenbare vragen
- Waarom denk ik bij een fout van iemand anders snel: “zo is hij nu eenmaal”?
- Waarom zie ik bij mezelf gemakkelijker welke omstandigheden meespeelden?
- Waarom lijkt gedrag soms meer over iemands karakter te zeggen dan gerechtvaardigd is?
- Waarom vergeten we soms hoeveel invloed druk, vermoeidheid, rollen of groepsnormen kunnen hebben?
- Kan ik iemands gedrag afkeuren zonder meteen de hele persoon te beoordelen?
- Hoe neem ik context serieus zonder slecht gedrag goed te praten?
Wat is de fundamentele attributiefout?
De term fundamentele attributiefout werd in 1977 geïntroduceerd door sociaal psycholoog Lee Ross. Het begrip verwijst naar de neiging om bij het verklaren van gedrag relatief veel gewicht te geven aan eigenschappen van de persoon en de invloed van de situatie te onderschatten.
Later werd een verwant begrip veel gebruikt: correspondence bias. Gilbert en Malone omschreven dat als de neiging om uit gedrag conclusies te trekken over blijvende persoonlijke eigenschappen, zelfs wanneer de situatie het gedrag grotendeels kan verklaren.
Bijvoorbeeld:
Iemand reageert kortaf
↓
“Hij is onaardig”Maar misschien ontbreekt nog informatie:
Iemand reageert kortaf
↓
slaaptekort?
slecht nieuws?
tijdsdruk?
pijn?
stress?
↓
of inderdaad
een patroon in zijn karakter?De fout zit dus niet in het idee dat persoonlijkheid gedrag beïnvloedt.
Dat doet ze.
De mogelijke vertekening ontstaat wanneer we te snel van één gedraging naar een conclusie over de persoon springen en onvoldoende onderzoeken wat de situatie deed.
Gedrag ontstaat meestal uit persoon én situatie
Een nuttiger uitgangspunt is:
GEDRAG
komt vaak voort uit:
PERSOON
+
SITUATIE
+
hun wisselwerkingEen ongeduldig persoon zal misschien sneller geïrriteerd reageren dan iemand die van nature rustig is.
Maar zelfs een heel rustige persoon kan kortaf reageren na twee nachten nauwelijks slapen.
Omgekeerd verklaart een moeilijke situatie ook niet automatisch alles.
Daarom is:
“Het lag aan de omstandigheden.”
niet altijd beter dan:
“Zo is die persoon gewoon.”
De vraag is hoeveel bewijs er voor beide verklaringen is.
Waarom maken we zo gemakkelijk conclusies over personen?
Wanneer we iemand zien handelen, is het gedrag zichtbaar.
Veel omstandigheden zijn dat niet.
Je ziet iemand voordringen.
Je ziet niet noodzakelijk:
dat hij slecht nieuws heeft gekregen,
dat iemand hem net heeft geroepen,
dat hij de situatie verkeerd heeft begrepen,
of dat hij inderdaad vaker onverschillig tegenover anderen handelt.
Wat ik zie:
GEDRAG
██████████
Wat ik vaak niet zie:
geschiedenis
stress
bedoeling
informatie
sociale druk
omstandighedenDaardoor kan gedrag gemakkelijk het meest opvallende aanknopingspunt worden voor onze verklaring.
Gilbert en Malone beschreven verschillende mechanismen waardoor situationele omstandigheden onvoldoende kunnen worden meegenomen, waaronder het niet opmerken van situationele beperkingen en het onvoldoende corrigeren van een eerste indruk.
Van gedrag naar karakter gaat soms razendsnel
Stel dat een collega drie minuten te laat binnenkomt.
Je denkt:
“Hij neemt zijn werk nooit serieus.”
Kijk naar de stappen:
FEIT
Hij komt
3 minuten te laat
↓
INTERPRETATIE
“Hij doet geen moeite”
↓
PERSOONSKENMERK
“Hij is ongemotiveerd”De eerste regel heb je waargenomen.
De andere twee zijn gevolgtrekkingen.
Ze kunnen juist zijn.
Maar daarvoor heb je meer informatie nodig.
Misschien komt hij iedere dag te laat en negeert hij herhaaldelijk afspraken.
Dan begint een patroon inderdaad meer over de persoon te zeggen.
Context meenemen betekent dus niet dat je nooit conclusies over karakter mag trekken.
Het betekent vooral:
één gedraging is meestal minder informatief dan een consistent patroon in verschillende situaties.
Voorbeeld in het verkeer
Een automobilist snijdt je af.
Je eerste gedachte kan zijn:
“Wat een asociale automobilist.”
Later die week snijd jij per ongeluk iemand af en denk je:
“Die rijstroken waren ook ontzettend onduidelijk.”
DE ANDER
snijdt mij af
↓
“asociaal”
IK
snijd iemand af
↓
“de situatie
was onduidelijk”Dit voorbeeld wordt vaak uitgelegd via de actor-observerhypothese: we zouden ons eigen gedrag relatief meer vanuit situaties verklaren en gedrag van anderen meer vanuit eigenschappen.
Maar hier is wetenschappelijke voorzichtigheid nodig.
Bertram Malle analyseerde 173 onderzoeken naar deze klassieke actor-observerhypothese en vond gemiddeld vrijwel geen algemeen effect. Verschillen verschenen vooral onder specifieke omstandigheden, bijvoorbeeld bij negatieve gebeurtenissen of bepaalde soorten verklaringen.
Later onderzoek vond eveneens geen steun voor de eenvoudige algemene regel, maar wel specifiekere verschillen in de manier waarop mensen eigen en andermans gedrag verklaren.
Daarom moeten we niet zeggen:
“Mensen verklaren hun eigen gedrag altijd uit de situatie en dat van anderen altijd uit karakter.”
Een nauwkeurigere conclusie is:
We kunnen onszelf
en anderen verschillend
beoordelen
maar hoe dat gebeurt
hangt af van situatie,
informatie en soort gedragFundamentele attributiefout en actor-observerbias zijn dus niet hetzelfde
Ze worden vaak door elkaar gehaald.
FUNDAMENTELE
ATTRIBUTIEFOUT
Te veel uit gedrag
afleiden over
de persoon
en de situatie
te weinig meewegen
ACTOR-OBSERVERHYPOTHESE
Mijn gedrag:
meer situatie
Jouw gedrag:
meer persoonVoor die tweede, algemene symmetrie is de wetenschappelijke ondersteuning veel zwakker dan populaire psychologie vaak suggereert.
Context begrijpen betekent gedrag niet goedpraten
Dit onderscheid is essentieel.
Stel dat iemand tijdens grote stress tegen zijn partner schreeuwt.
Je kunt tegelijkertijd zeggen:
“De stress helpt verklaren waarom zijn lontje korter was.”
én:
“Schreeuwen tegen zijn partner was niet acceptabel.”
VERKLAREN
≠
GOEDKEURENEen verklaring beantwoordt:
“Welke factoren droegen hieraan bij?”
Een moreel oordeel beantwoordt:
“Vind ik dit gedrag aanvaardbaar?”
Die vragen hoeven niet hetzelfde antwoord te hebben.
Juist door oorzaken nauwkeurig te begrijpen kun je soms beter bepalen hoe gedrag veranderd of voorkomen kan worden.
Persoonlijkheid bestaat natuurlijk wel
Wie over de fundamentele attributiefout leest, kan doorschieten naar:
“Gedrag ligt eigenlijk altijd aan omstandigheden.”
Ook dat is te eenvoudig.
Persoonlijkheidskenmerken vertonen reële stabiliteit en kunnen gedrag helpen voorspellen. Beoordelingen door mensen die iemand goed kennen kunnen bovendien daadwerkelijk informatie bevatten over diens persoonlijkheid en later gedrag.
Dus:
Niet:
“Alles is karakter”
en ook niet:
“Alles is situatie”
maar:
“Wat weten we over
beide?”Waarom is herhaald gedrag belangrijk?
Stel dat iemand één keer een afspraak vergeet.
Dat vertelt weinig.
Maar stel dat hij:
iedere week afspraken vergeet,
bij verschillende mensen,
in verschillende situaties,
ook nadat hij eraan herinnerd is.
Dan neemt de plausibiliteit toe dat een meer stabiele eigenschap of gewoonte meespeelt.
1 gebeurtenis
↓
weinig informatie
herhaald patroon
in meerdere situaties
↓
meer reden om
persoonlijke factoren
mee te wegenContextgericht denken betekent dus niet dat persoonlijkheid niet bestaat.
Het betekent niet méér uit een gebeurtenis concluderen dan het bewijs toelaat.
Cultuur kan verschil maken
De term fundamentele attributiefout klinkt alsof het verschijnsel overal en bij iedereen precies hetzelfde werkt.
Dat blijkt te sterk.
Onderzoek heeft culturele verschillen gevonden in de hoeveelheid aandacht die mensen aan persoonlijke eigenschappen en omstandigheden geven.
Morris en Peng vonden bijvoorbeeld dat Amerikaanse deelnemers sociale gebeurtenissen relatief meer vanuit persoonlijke eigenschappen verklaarden, terwijl Chinese deelnemers meer gewicht aan situationele omstandigheden gaven. Zelfs Amerikaanse en Chinese kranten bleken dezelfde misdrijven verschillend te verklaren.
Een overzicht van Choi, Nisbett en Norenzayan concludeerde eveneens dat Oost-Aziatische deelnemers gemiddeld gevoeliger konden zijn voor situationele informatie, terwijl dispositioneel denken in beide culturele contexten voorkomt.
Persoon of situatie?
Het antwoord kan
mede worden beïnvloed
door hoe we geleerd
hebben naar gedrag
te kijkenDaarom is de fundamentele attributiefout beter te zien als een mogelijke menselijke tendens, niet als een universele wet die iedereen altijd volgt.
Labels kunnen onze verklaring vastzetten
Stel dat iemand iets zegt waarmee je het sterk oneens bent.
Je kunt denken:
“Dat was een onjuiste uitspraak.”
of:
“Hij is een leugenaar.”
Het eerste beoordeelt een concrete uitspraak.
Het tweede maakt er een eigenschap van de persoon van.
GEDRAG
“Hij zei iets
dat niet klopte”
↓
LABEL
“Hij is een
oneerlijk mens”Soms is dat label uiteindelijk terecht, bijvoorbeeld wanneer er een herhaald patroon van bewust bedrog bestaat.
Maar één incident bevat meestal minder informatie dan een langdurig patroon.
Dit raakt daarom ook aan framing en labeling.
Hoe kan dit voorkomen binnen hechte groepen?
Wanneer mensen sterk met een groep verbonden zijn, kan het gedrag van leden en voormalige leden gemakkelijk moreel of persoonlijk worden geïnterpreteerd.
Iemand vertrekt uit een religieuze gemeenschap.
Achterblijvers kunnen bijvoorbeeld denken:
Hij is ontrouw.
Hij is trots.
Hij wilde gewoon vrij zijn.
De vertrekkende persoon kan op zijn beurt denken:
Zij zijn zwak.
Zij kunnen niet zelf nadenken.
Zij zijn gehersenspoeld.
Beide kanten kunnen daarmee ingewikkelde keuzes terugbrengen tot een eigenschap van de persoon.
Hij blijft
↓
“Hij kan niet
zelf denken”
Hij vertrekt
↓
“Hij is ontrouw”Maar achter beide beslissingen kunnen veel factoren zitten:
geloof,
persoonlijke ervaringen,
familie,
sociale relaties,
geweten,
angst,
hoop,
informatie,
identiteit,
verlies,
of een oprechte overtuiging.
Dat betekent niet dat iedere verklaring even waarschijnlijk is.
Het betekent dat een karakterlabel vaak minder informatie geeft dan onderzoek naar wat werkelijk meespeelde.
Hoe kan dit herkenbaar zijn rond Jehovah’s Getuigen?
Een huidige Jehovah’s Getuige en een voormalige Jehovah’s Getuige kunnen dezelfde keuze heel anders interpreteren.
Stel dat iemand binnen de gemeenschap blijft ondanks ernstige twijfels.
Een buitenstaander kan denken:
“Hij durft gewoon niet zelfstandig te denken.”
Maar misschien:
gelooft hij na onderzoek nog steeds,
waardeert hij zijn gemeenschap,
vindt hij bepaalde bezwaren niet overtuigend,
is zijn geloof voor hem diep betekenisvol,
of spelen meerdere factoren tegelijk.
Andersom kan iemand de organisatie verlaten.
Een achterblijvende gelovige zou dat bijvoorbeeld kunnen interpreteren als een karakter- of geloofsprobleem, terwijl de vertrekkende persoon zelf misschien spreekt over onderzoek, gewetensvragen of veranderingen in overtuiging.
DEZELFDE BESLISSING
kan van buitenaf
worden verklaard met
een karakterlabel
terwijl de persoon zelf
een veel ingewikkelder
verhaal ervaartDe psychologie bepaalt hier niet welke geloofsconclusie juist is.
Ze biedt vooral een waarschuwingsvraag:
“Weet ik genoeg over de situatie om mijn conclusie over deze persoon te rechtvaardigen?”
Labels als ‘gehersenspoeld’ kunnen hetzelfde probleem hebben
Dit is ook relevant voor voormalige leden.
Wanneer iemand zegt:
“Hij blijft Jehovah’s Getuige omdat hij gehersenspoeld is.”
lijkt er een complete verklaring te zijn.
Maar mogelijk weet je nog niet:
welke informatie die persoon heeft onderzocht,
welke argumenten hij overtuigend vindt,
hoe hij zijn geloof beleeft,
of waarom hij een bepaalde beslissing maakt.
Hetzelfde geldt wanneer iemand over een vertrekkend lid zegt:
“Hij vertrok alleen omdat hij geen regels wilde.”
Beide uitspraken kunnen soms elementen bevatten die voor een individueel geval relevant zijn.
Maar zonder verder bewijs zijn het vooral grote verklaringen over een persoon.
Eerst:
“Waarom doet
deze persoon dit?”
pas daarna:
“Wat zegt dat
eventueel over hem?”Ook groepsgedrag kan verkeerd worden geïnterpreteerd
Attributiefouten kunnen niet alleen over individuen gaan.
Wanneer één lid van een groep iets verkeerd doet, kunnen we denken:
“Zo zijn die mensen.”
Wanneer iemand uit onze eigen groep hetzelfde doet:
“Dat is één individu.”
Dan verschuift een oordeel over één persoon naar een hele categorie.
Dat raakt aan stereotypering, in-group/out-group-denken en confirmation bias.
Een nuttige controle is:
Als iemand uit
mijn eigen groep
dit deed...
zou ik dezelfde
conclusie trekken
over de hele groep?Wat weet ik eigenlijk over de omstandigheden?
Een eenvoudige methode is drie kolommen in gedachten te maken:
GEDRAG
Wat zag ik
feitelijk?
PERSOON
Welke eigenschap
vermoed ik?
SITUATIE
Welke omstandigheden
kunnen meespelen?Voorbeeld:
GEDRAG
Ze antwoordde niet
op mijn bericht
PERSOON
“Ze geeft niet
om mij”
SITUATIE
druk?
telefoon uit?
ziek?
antwoord vergeten?
boos?De bedoeling is niet om eindeloos excuses voor anderen te verzinnen.
Het doel is herkennen wanneer je een aanname als feit behandelt.
Wat als iemand echt slecht gedrag vertoont?
Context meenemen betekent niet dat je grenzen moet laten verdwijnen.
Iemand kan:
liegen,
manipuleren,
agressief handelen,
afspraken herhaaldelijk niet nakomen,
of anderen beschadigen.
Je mag dat gedrag benoemen en er consequenties aan verbinden.
Je hoeft niet eerst de volledige jeugd van iemand te begrijpen voordat je zegt:
“Dit accepteer ik niet.”
Context begrijpen
+
gedrag begrenzen
kunnen tegelijkertijd
waar zijnJe kunt bijvoorbeeld zeggen:
“Ik begrijp dat je veel stress hebt, maar ik accepteer niet dat je mij uitscheldt.”
Dat is zowel contextgevoelig als duidelijk.
Gedrag beoordelen of de hele persoon beoordelen?
Vergelijk:
“Wat je daar deed was respectloos.”
met:
“Jij bent respectloos.”
Of:
“Dat argument klopt niet.”
met:
“Jij bent dom.”
Of:
“Hij heeft gelogen over dit onderwerp.”
met:
“Hij liegt altijd.”
CONCREET
dit gedrag
deze uitspraak
deze gebeurtenis
GLOBAAL
zo ben jij
altijd
helemaalConcrete taal is vaak nauwkeuriger.
Soms ontstaat na veel voorbeelden alsnog een redelijk oordeel over een patroon.
Maar dan is dat oordeel gebaseerd op meerdere gedragingen, niet alleen op één moment.
Gebruik dezelfde nieuwsgierigheid bij jezelf en anderen
Wanneer jij iets verkeerd doet, weet je misschien precies:
hoe moe je was,
wat er vlak daarvoor gebeurde,
wat je bedoelde,
waarom je geïrriteerd was.
Bij de ander weet je dat meestal niet.
Een nuttige oefening is daarom:
Bij de ander:
Welke situatie zou dit gedrag mede kunnen verklaren?
Bij mezelf:
Welke persoonlijke gewoonte of eigenschap van mij speelde misschien óók mee?
BIJ DE ANDER
voeg context toe
BIJ MEZELF
voeg eigen
verantwoordelijkheid toeDat voorkomt dat context alleen een excuus voor onszelf wordt.
Wat kun je ermee?
Wanneer je merkt dat je denkt:
“Hij is gewoon…”
stop dan even bij het woord dat daarna komt.
Vraag:
Wat heb ik feitelijk gezien?
Welke eigenschap schrijf ik die persoon toe?
Welke situatie ken ik misschien niet?
Zie ik een eenmalige gebeurtenis of een herhaald patroon?
Zou ik dezelfde uitleg geven als ik dit zelf had gedaan?
Zou ik hetzelfde gedrag van iemand uit mijn eigen groep net zo beoordelen?
Kan ik het gedrag afkeuren zonder een totaal oordeel over de persoon te geven?
Een handig schema is:
1. FEIT
Wat gebeurde er?
2. CONTEXT
Wat kan meespelen?
3. PATROON
Gebeurt dit vaker?
4. OORDEEL
Welke conclusie
is nu gerechtvaardigd?Daarmee stel je een oordeel niet eindeloos uit.
Je probeert het alleen proportioneel te maken aan het beschikbare bewijs.
Vragen om over na te denken
Bij welke mensen denk ik snel: “zo is die nu eenmaal”?
Welke concrete gedragingen liggen onder dat oordeel?
Welke context ken ik misschien niet?
Hoe zou ik hetzelfde gedrag verklaren als ik het zelf had vertoond?
Waar gebruik ik omstandigheden misschien juist te gemakkelijk als excuus voor mezelf?
Trek ik uit één gebeurtenis een conclusie over iemands hele karakter?
Zie ik een terugkerend patroon of vooral één opvallend voorbeeld?
Beoordeel ik leden van mijn eigen groep anders dan mensen buiten mijn groep?
Kan ik gedrag afkeuren zonder de persoon volledig met dat gedrag gelijk te stellen?
Welke aanvullende informatie zou mijn oordeel kunnen veranderen?
En misschien de belangrijkste:
Weet ik hoe
deze persoon is?
of weet ik vooral
wat deze persoon
in deze situatie deed?Samenvatting
De fundamentele attributiefout beschrijft de neiging om gedrag relatief sterk uit persoonlijke eigenschappen te verklaren en situationele invloeden onvoldoende mee te wegen. Lee Ross introduceerde de term in 1977; later onderzoek naar correspondence bias verfijnde het idee en beschreef verschillende manieren waarop mensen te snel van gedrag naar blijvende eigenschappen kunnen springen.
Het verschijnsel is geen absolute regel. Cultureel onderzoek laat zien dat de mate waarin mensen persoon en situatie benadrukken kan verschillen.
Ook de populaire gedachte dat we ons eigen gedrag altijd uit omstandigheden verklaren en dat van anderen uit karakter is te eenvoudig; een grote meta-analyse vond daarvoor geen algemeen actor-observereffect.
De belangrijkste correctie is daarom niet:
“Karakter doet
er niet toe”maar:
Persoon
+
situatie
+
patroon
+
context
↓
zorgvuldiger oordeelContext maakt schadelijk gedrag niet automatisch acceptabel.
Maar begrijpen wat gedrag mede veroorzaakt kan ons oordeel nauwkeuriger maken zonder onze grenzen of verantwoordelijkheid op te geven.
Bronnen en verdieping
Lee Ross (1977), The Intuitive Psychologist and His Shortcomings: Distortions in the Attribution Process, Advances in Experimental Social Psychology, 10, 173–220. Het klassieke hoofdstuk waarin Ross de term fundamental attribution error introduceerde binnen een bredere bespreking van vertekeningen in onze verklaringen van menselijk gedrag.
Daniel T. Gilbert & Patrick S. Malone (1995), The Correspondence Bias, Psychological Bulletin, 117(1), 21–38. Belangrijk overzicht van de neiging om blijvende eigenschappen uit gedrag af te leiden terwijl situationele omstandigheden dat gedrag kunnen verklaren, en van verschillende mechanismen die daaraan kunnen bijdragen.
Bertram F. Malle (2006), The Actor–Observer Asymmetry in Attribution: A (Surprising) Meta-Analysis, Psychological Bulletin, 132(6), 895–919. Meta-analyse van 173 studies die weinig steun vond voor de algemene populaire gedachte dat mensen hun eigen gedrag vooral situationeel en dat van anderen vooral dispositioneel verklaren; specifieke verschillen traden wel onder bepaalde omstandigheden op.
Bertram F. Malle, Joshua M. Knobe & Sarah E. Nelson (2007), Actor–Observer Asymmetries in Explanations of Behavior: New Answers to an Old Question. Zes studies vonden geen ondersteuning voor de klassieke eenvoudige actor-observerhypothese, maar wel subtielere verschillen in hoe mensen gedrag verklaren.
Michael W. Morris & Kaiping Peng (1994), Culture and Cause: American and Chinese Attributions for Social and Physical Events, Journal of Personality and Social Psychology, 67(6), 949–971. Onderzoek naar culturele verschillen in de mate waarin persoonlijke en situationele factoren worden gebruikt om sociaal gedrag te verklaren.
Incheol Choi, Richard E. Nisbett & Ara Norenzayan (1999), Causal Attribution Across Cultures: Variation and Universality, Psychological Bulletin, 125(1), 47–63. Overzicht waaruit blijkt dat dispositioneel denken breed voorkomt, maar dat culturele context invloed heeft op hoeveel aandacht mensen aan de situatie geven.