Herkenbare vragen

- Wat bedoelt een Jehovah’s Getuige als hij zegt ‘de waarheid’?

- Waarom zeggen Getuigen ‘in de waarheid komen’ in plaats van ‘Jehovah’s Getuige worden’?

- Wat betekent ‘in de waarheid opgevoed’?

- Waarom wordt gevraagd: ‘Zijn al je kinderen in de waarheid?’

- Is het alleen een manier van praten, of beïnvloedt taal ook hoe je naar je geloof kijkt?

- Wat gebeurt er wanneer een kind vanaf jonge leeftijd hoort dat zijn geloof ‘de waarheid’ is?

- Kan deze manier van spreken invloed hebben op hoe een kind later naar geloof en twijfel kijkt?

- Kun je als volwassene nog vrij onderzoeken of iets waar is wanneer je jarenlang hebt geleerd het al ‘de waarheid’ te noemen?

Wat betekent ‘de waarheid’?

In het gewone Nederlands betekent waarheid dat iets overeenkomt met de werkelijkheid. Binnen Jehovah’s Getuigen heeft ‘de waarheid’ daarnaast een specifieke religieuze betekenis gekregen. Het begrip wordt gebruikt voor de Bijbelse waarheid zoals Jehovah’s Getuigen die begrijpen en onderwijzen, en in het dagelijks taalgebruik vaak breder voor het geloof en het leven als Jehovah’s Getuige.
Daardoor ontstaan zinnen die voor iemand buiten de gemeenschap ongebruikelijk kunnen klinken: ‘Wanneer ben jij in de waarheid gekomen?’ ‘Ik ben in de waarheid opgevoed.’ ‘Mijn man is niet in de waarheid.’ ‘Zijn al jouw kinderen nog in de waarheid?’ ‘Hij heeft de waarheid verlaten.’
Een buitenstaander zou eerder zeggen: ‘Wanneer ben je Jehovah’s Getuige geworden?’ of ‘Geloven je kinderen nog?’ Binnen de gemeenschap kan ‘de waarheid’ dezelfde informatie in slechts twee woorden overbrengen.

Een eigen religieuze taal

Dat verschijnsel is op zichzelf niet uitzonderlijk. Religieuze, professionele en sociale groepen ontwikkelen allemaal hun eigen woorden en uitdrukkingen.
Jehovah’s Getuigen spreken bijvoorbeeld over de waarheid, de organisatie, de wereld, geestelijk sterk, goede omgang, verkondigers, pioniers en broeders en zusters. Voor leden zijn zulke woorden efficiënt: iedereen begrijpt onmiddellijk wat ermee wordt bedoeld. Bovendien kunnen ze een gevoel van verbondenheid versterken: wij begrijpen dezelfde taal en delen hetzelfde referentiekader.
Taal kan daardoor zowel communicatie als groepsidentiteit versterken.

Waarom ‘de waarheid’ een krachtige formulering is

Er bestaat een belangrijk verschil tussen ‘Ik ben opgevoed als Jehovah’s Getuige’ en ‘Ik ben opgevoed in de waarheid.’
De eerste zin beschrijft tot welke religieuze gemeenschap iemand behoorde. De tweede bevat tegelijkertijd een uitspraak over de juistheid van die religie.
Hetzelfde gebeurt bij ‘Mijn dochter is geen Jehovah’s Getuige meer’ tegenover ‘Mijn dochter heeft de waarheid verlaten.’ In de eerste formulering is haar religieuze positie veranderd. In de tweede lijkt zij niet alleen een gemeenschap te hebben verlaten, maar ook iets waarvan in de formulering al wordt aangenomen dat het waar is.
Dat maakt ‘de waarheid’ psychologisch interessanter dan alleen een intern woord.

Als je ermee wordt geboren

Een volwassene die voor het eerst met Jehovah’s Getuigen studeert, heeft meestal al een ander wereldbeeld waarmee nieuwe ideeën kunnen worden vergeleken. Een kind heeft doorgaans veel minder eerdere levenservaring en andere levensbeschouwelijke kaders waarmee het zulke ideeën kan vergelijken.
Kinderen leren hun eerste beeld van de werkelijkheid grotendeels van de volwassenen van wie zij afhankelijk zijn. Ze leren niet alleen dat vuur heet is, dat bepaalde dingen gevaarlijk zijn en hoe mensen met elkaar omgaan. Ook ideeën over God, goed en kwaad, dood, toekomst en wat een betrouwbaar mens gelooft kunnen onderdeel worden van dat eerste wereldbeeld.
Dat betekent niet dat kinderen alles gedachteloos overnemen. Kinderen stellen vragen, verschillen in karakter en kunnen later hun overtuigingen veranderen. Maar een kind begint zijn levensbeschouwing niet vanuit een neutrale positie waarin eerst alle mogelijke religies naast elkaar worden onderzocht.

‘Dit is ons geloof’ en ‘dit is de waarheid’

Een kind dat vaak hoort ‘Dit is ons geloof’ leert dat het gezin een bepaalde overtuiging heeft. Een kind dat vaak hoort ‘Dit is de waarheid’ kan tegelijkertijd leren: dit is niet één mogelijke verklaring van de werkelijkheid — dit ís hoe de werkelijkheid is.
Dat hoeft niet bewust door ouders te worden aangeleerd. Ouders die zelf volledig overtuigd zijn, zullen hun geloof vanzelf als waarheid aan hun kinderen doorgeven. Vanuit hun perspectief kan het juist vreemd voelen om iets als slechts één mogelijkheid te presenteren wanneer zij ervan overtuigd zijn dat Jehovah het werkelijk zo heeft bekendgemaakt.

Hoe overtuigingen vanzelfsprekend worden

In de psychologie wordt gesproken over socialisatie: het proces waardoor kinderen normen, waarden, taal en opvattingen uit hun omgeving leren. Dat gebeurt in ieder gezin.
Wanneer een overtuiging jarenlang wordt bevestigd door ouders, familie, vrienden, bijeenkomsten, publicaties en andere belangrijke volwassenen, kan zij steeds minder voelen als iets wat iemand ooit heeft aangenomen en steeds meer als iets wat hij eenvoudig weet.
Dat gebeurt niet alleen bij religie. Een interessante vraag is daarom: ‘Wanneer herinner ik mij dat ik dit zelf ben gaan geloven, en wanneer herinner ik mij vooral dat ik het altijd al wist?’

Het geloof kan onderdeel worden van je identiteit

Wanneer iemand vanaf zijn jeugd ‘in de waarheid’ is opgegroeid, kan het geloof verbonden raken met veel meer dan leerstellingen: ouders, grootouders, vrienden, de gemeente, veiligheid, goedkeuring, moraliteit, toekomstverwachtingen en het beeld van jezelf als een goed mens.
‘Ik ben in de waarheid’ kan daardoor veel meer betekenen dan ‘Ik onderschrijf een aantal religieuze leerstellingen.’ Het kan ook betekenen: ‘Dit is waar ik hoor. Dit zijn mijn mensen. Zo begrijp ik de wereld. Zo weet ik wat goed is. Zo ziet mijn toekomst eruit.’
Dat geeft een geloof grote emotionele waarde.

‘Zijn al je kinderen in de waarheid?’

Binnen Jehovah’s Getuigen kan een vraag als ‘Zijn al jouw kinderen in de waarheid?’ volkomen natuurlijk en vriendelijk bedoeld zijn. Toch zit er veel informatie in.
Een kind kan in de waarheid zijn en later uit de waarheid gaan. Daarmee wordt religieuze verbondenheid taalkundig gekoppeld aan een tegenstelling tussen waarheid en iets daarbuiten.
Voor ouders kan het daarom veel meer betekenen wanneer een volwassen kind geen Jehovah’s Getuige meer wil zijn dan alleen dat het een andere religieuze keuze maakt. Het kind heeft vanuit hun overtuiging iets kostbaars en waars verlaten.
Voor het volwassen kind kan twijfel daardoor eveneens zwaarder worden: ‘Ik onderzoek niet zomaar mijn religie. Ik twijfel aan de waarheid.’

Wat gebeurt er wanneer iemand later gaat twijfelen?

Een volwassene kan rationeel denken: ‘Ik wil onderzoeken of deze leer werkelijk klopt.’ Tegelijk kan een oudere, aangeleerde reactie optreden: ‘Waarom twijfel ik aan de waarheid?’
De conclusie zit dan al gedeeltelijk in de taal waarmee de vraag wordt gesteld.
Vergelijk ‘Klopt deze uitleg?’ met ‘Waarom heb ik moeite de waarheid te accepteren?’ De eerste vraag laat verschillende antwoorden open. De tweede neemt al aan dat de uitleg waar is en zoekt vervolgens naar de reden waarom de persoon daar moeite mee heeft.

Taal beïnvloedt denken, maar bepaalt het niet

Psychologie ondersteunt niet de simpele conclusie: ‘Als je iets vaak de waarheid noemt, kun je niet meer kritisch denken.’ Mensen zijn daartoe wel degelijk in staat en veel mensen heroverwegen overtuigingen waarmee ze zijn opgegroeid.
Taal stuurt het denken eerder dan dat zij het volledig bepaalt. Woorden maken bepaalde onderscheidingen vanzelfsprekender. Wanneer een formulering jarenlang wordt gebruikt, kan zij een vertrouwd denkkader worden.
‘De waarheid’ kan daardoor niet alleen beschrijven wat iemand gelooft, maar ook mede het kader vormen waarbinnen nieuwe informatie wordt beoordeeld.

Binnen en buiten

Je kunt in de waarheid zijn, iemand anders is niet in de waarheid, je kunt de waarheid leren kennen, de waarheid verlaten en terugkomen in de waarheid.
Zo ontstaat taalkundig een duidelijke grens tussen binnen en buiten. Ook dat is niet uniek voor Jehovah’s Getuigen. Veel groepen gebruiken taal om grenzen en identiteit zichtbaar te maken.
De relevante vraag is niet óf groepsgrenzen bestaan, maar welke betekenis eraan wordt gegeven en hoeveel gevolgen het heeft wanneer iemand die grens overgaat.

Kan deze manier van spreken invloed hebben op een kind?

Ja, maar dat betekent niet automatisch dat zij schadelijk is. Het zou te ver gaan om te stellen dat een kind psychologische schade oploopt enkel doordat ouders hun religie ‘de waarheid’ noemen.
Kinderen worden overal opgevoed met overtuigingen waarvan ouders denken dat ze waar en belangrijk zijn. Een religieuze opvoeding kan bovendien gemeenschap, betekenis, structuur, hoop en morele richting geven.
Mogelijke psychologische belasting kan eerder ontstaan wanneer twijfelen, onderzoeken of later anders kiezen verbonden raakt met sterke angst, schuld, schaamte, verlies van relaties of het gevoel een slecht mens te zijn.
Dan gaat het niet meer uitsluitend om het woord ‘waarheid’, maar om het bredere sociale en emotionele systeem waarin dat woord betekenis heeft gekregen.

Wanneer twijfel voelt als gevaar

Een vraag als ‘Wat als het Besturend Lichaam hierin ongelijk heeft?’ kan rationeel gewoon een onderzoeksvraag zijn. Maar iemand die vanaf jonge leeftijd heeft geleerd dat hij de waarheid heeft gevonden, kan daarbij angst, schuld of spanning ervaren.
Dat gevoel bewijst niet dat de leer waar is. Maar het bewijst evenmin dat de leer onwaar is.
Het gevoel is echt; de betekenis ervan mag je onderzoeken.

‘Ik wist dat het de waarheid was’

Een volwassene kan later zeggen: ‘Ik heb dit nooit als één religie tussen andere religies ervaren. Het wás gewoon de waarheid.’
Wanneer een overtuiging vanaf de kinderjaren door vrijwel alle belangrijke mensen om je heen wordt bevestigd, kan het onderscheid tussen ‘dit is wat mijn omgeving mij heeft geleerd’ en ‘dit heb ik zelf vastgesteld’ moeilijk zichtbaar worden.
Dat betekent niet dat de overtuiging daarom onwaar is.
De oorsprong van een overtuiging bepaalt niet of zij waar of onwaar is.
Ze vertelt wel iets over de manier waarop die overtuiging is ontstaan.

Volwassen onderzoek

Als je vanaf jonge leeftijd Jehovah’s Getuige bent, hoef je niet te concluderen: ‘Omdat ik ermee ben opgevoed, is het dus niet waar.’ Dat zou dezelfde denkfout in omgekeerde richting zijn.
Je kunt wel zeggen: ‘Omdat ik ermee ben opgevoed, wil ik als volwassene onderzoeken welke overtuigingen ik na onderzoek nog steeds waar vind.’
Misschien kom je daarna bij dezelfde overtuiging uit, misschien verandert een deel en misschien verandert veel. Het onderzoek bepaalt de uitkomst niet vooraf.
Iemand kan als kind hebben geleerd ‘dit is de waarheid’, later bronnen onderzoeken, moeilijke vragen stellen en alternatieve verklaringen serieus bekijken en vervolgens nog steeds concluderen: ‘Ja. Ik geloof dat dit waar is.’ Dan is het niet alleen meer: ‘Dit is de waarheid omdat ik ermee ben opgegroeid,’ maar ook: ‘Ik heb onderzocht wat ik heb meegekregen en kies er bewust voor dit te geloven.’
Kritisch onderzoek hoeft geloof dus niet noodzakelijk te vernietigen. Het kan ook duidelijker maken waarom iemand iets zelf gelooft.

En als je tot een andere conclusie komt?

Misschien verandert iemand zijn geloof door nieuw onderzoek, ervaringen of beide. Misschien blijft hij in Jehovah geloven maar denkt hij anders over de organisatie. Misschien wordt hij lid van een andere christelijke gemeenschap. Misschien weet hij een tijdlang niet meer wat hij gelooft.
‘Niet meer in de waarheid’ vertelt weinig over al die verschillende verhalen.
Buiten de interne geloofstaal kan het daarom soms nauwkeuriger zijn te vragen: ‘Wat geloof je nu?’ in plaats van alleen: ‘Ben je nog in de waarheid?’

Een klein taalexperiment

Lees deze vragen langzaam:
‘Waarom twijfel ik aan de waarheid?’
‘Waarom twijfel ik aan wat ik heb geleerd?’
En daarna:
‘Zijn Jehovah’s Getuigen de waarheid?’
‘Welke leerstellingen van Jehovah’s Getuigen zijn volgens mij waar, en waarom?’
Misschien voelen de vragen hetzelfde. Misschien helemaal niet.
Het experiment bewijst niets over de waarheid van het geloof. Het maakt alleen zichtbaar hoe de formulering van een vraag het vertrekpunt van het denken kan beïnvloeden.

Vragen om over na te denken

  • Wanneer gebruikte ik voor het eerst zelf de woorden ‘de waarheid’?

  • Wat betekent ‘de waarheid’ voor mij: Jehovah, de Bijbel, de leerstellingen of de organisatie?

  • Zijn die dingen voor mij hetzelfde of kan ik ze afzonderlijk onderzoeken?

  • Welke overtuigingen heb ik persoonlijk onderzocht en welke heb ik vooral van jongs af aan meegekregen?

  • Voel ik angst of schuld wanneer ik een leerstelling kritisch onderzoek?

  • Zo ja: wat vertelt dat gevoel mij werkelijk?

  • Kan ik een overtuiging onderzoeken zonder vooraf te besluiten dat zij waar óf onwaar moet zijn?

  • Als niemand mij zou veroordelen wanneer ik van mening veranderde, zou ik dezelfde conclusie trekken?

  • Als ik na grondig onderzoek nog steeds Jehovah’s Getuige wil zijn, voelt mijn geloof dan meer als mijn eigen keuze?

  • En als waarheid werkelijk waarheid is, wat zou eerlijk onderzoek haar dan kunnen aandoen?

Samenvatting

‘De waarheid’ is binnen Jehovah’s Getuigen meer dan een gewone aanduiding voor een religie. Het woord kan verwijzen naar het geloof, de leerstellingen, de gemeenschap en het hele religieuze referentiekader.
Voor iemand die ermee opgroeit kan die taal verbonden raken met familie, veiligheid, identiteit, moraliteit, Jehovah en toekomstverwachtingen. Dat is niet automatisch schadelijk en het bewijst niets over de juistheid of onjuistheid van het geloof.
Wel kan taal invloed hebben op het vertrekpunt van denken. Er is verschil tussen ‘Klopt deze leer?’ en ‘Waarom twijfel ik aan de waarheid?’ In de tweede vraag is al een aanname ingebouwd.
Tegelijk bepaalt taal het denken niet volledig. Mensen kunnen overtuigingen opnieuw onderzoeken en tot verschillende conclusies komen.
Een overtuiging die je hebt meegekregen is niet daardoor automatisch waar of onwaar. De oorsprong vertelt iets over hoe zij is ontstaan, niet automatisch of zij klopt.
Misschien is de belangrijkste vraag daarom niet ‘Moet ik wat ik heb geleerd verwerpen?’, maar:
‘Als ik het woord waarheid even weglaat: wat geloof ik dat werkelijk waar is — en hoe ben ik daar zelf achter gekomen?’

Bronnen en verdieping

Jehovah’s Getuigen – publicaties waarin ‘de waarheid’, ‘in de waarheid’ en ‘de waarheid leren kennen’ worden gebruikt. Voorbeelden van het interne religieuze taalgebruik.
Watchtower Online Library – publicaties over ‘de waarheid’, geloofsopvoeding en geestelijke ontwikkeling van kinderen. Achtergrond bij het gebruik van deze begrippen.
Nieuwewereldvertaling – Johannes 8:31, 32; Johannes 14:6; Johannes 17:17. Bijbelteksten over waarheid.
Peter L. Berger & Thomas Luckmann – The Social Construction of Reality. Over hoe sociale betekenissen en vanzelfsprekendheden worden gevormd en doorgegeven.
Leon Festinger – A Theory of Cognitive Dissonance. Over spanning tussen overtuigingen, informatie en gedrag.
Henri Tajfel & John Turner – Social Identity Theory. Over groepsidentiteit en groepslidmaatschap.
American Psychological Association – informatie over ontwikkeling, socialisatie en overtuigingen. Algemene psychologische achtergrond.

Lees ook

Afvallige – Wat betekent deze aanduiding binnen Jehovah’s Getuigen?
Afvalligheid – Wanneer wordt iemand als afvallig beschouwd?
Besturend Lichaam – Welke plaats heeft het Besturend Lichaam in het bepalen van religieuze uitleg?
Geloofsopvoeding – Hoe ontwikkelen kinderen religieuze overtuigingen?
Jehovah’s organisatie – Wat wordt bedoeld met ‘de organisatie’?
Werelds – Wat betekent het wanneer iemand of iets ‘werelds’ wordt genoemd?