EXJW WorldKennisbibliotheek

Kennisbibliotheek › 🧠 A-Z Encyclopedie van de Psychologie

I - Internalisering

Hoe kunnen overtuigingen en normen van buitenaf onderdeel worden van je eigen innerlijke stem?

Herkenbare vragen Waarom voelt iets nog steeds verkeerd terwijl niemand mij er meer op aanspreekt? Waarom hoor ik als het ware oude regels in mijn hoofd, ook al geloof ik inmiddels anders? Hoe weet ik of iets echt mijn eigen overtuiging is of iets wat ik diep heb aangeleerd? Kan een norm zo vanzelfsprekend worden dat ik niet meer merk waar hij vandaan komt? Waarom kan schuld blijven bestaan nadat mijn mening veranderd is? En kan iets wat ooit van buitenaf kwam later werkelijk een waarde van mijzelf worden? Wat is internalisering? Internalisering is het proces waarbij normen, waarden, overtuigingen of verwachtingen die eerst van buitenaf komen onderdeel worden van je eigen denken en voelen. Een kind hoort bijvoorbeeld: ‘Je moet eerlijk zijn.’ In het begin volgt het die regel misschien vooral omdat ouders dat zeggen of omdat het bang is voor straf. Later kan eerlijkheid een persoonlijke waarde worden: ‘Ik wil eerlijk zijn, ook als niemand kijkt.’ De regel hoeft dan niet meer voortdurend van buitenaf te worden herhaald. Hij is van binnenuit gaan werken . Internalisering is normaal Internalisering is geen psychische stoornis en ook niet automatisch iets negatiefs. Het is een normaal onderdeel van menselijke ontwikkeling. We leren vrijwel alles in eerste instantie van anderen: taal, omgangsvormen, ideeën over goed en fout, werkhouding, familiegewoonten, culturele normen en religieuze overtuigingen. Later nemen we sommige daarvan bewust over. Andere laten we los. En weer andere voelen zo vanzelfsprekend dat we nauwelijks nog merken dat we ze ooit hebben geleerd. Van ‘zij zeggen het’ naar ‘ik vind het’ In het begin kan een regel klinken als: ‘Mijn ouders zeggen dat dit niet mag.’ Later: ‘Wij doen dat niet.’ En uiteindelijk: ‘Ik vind dit zelf verkeerd.’ Dat is internalisering. De bron van de regel verdwijnt steeds meer uit beeld. De norm wordt onderdeel van het eigen geweten en de eigen identiteit. Dat kan heel positief zijn Veel belangrijke waarden functioneren juist doordat we ze hebben geïnternaliseerd. We hoeven niet iedere ochtend opnieuw verteld te worden dat we anderen niet moeten bestelen of dat we voor onze kinderen moeten zorgen. We hebben zulke waarden onderdeel gemaakt van wie we zijn. Een geïnternaliseerde norm kan daarom juist leiden tot betrouwbaarheid, verantwoordelijkheid en zelfstandigheid . Je doet iets niet alleen omdat iemand kijkt. Je doet het omdat je er zelf achter staat. Maar niet iedere geïnternaliseerde norm is automatisch nog van jou Daar ontstaat een interessante vraag. Een overtuiging kan diep in je zitten en tóch ooit uit een omgeving zijn overgenomen. Dat maakt haar niet onwaar of onecht. Maar het betekent ook niet automatisch dat je haar vandaag nog zou kiezen wanneer je haar opnieuw onderzoekt. Daarom kan internalisering twee verschillende uitkomsten hebben: ‘Ik heb dit geleerd en na onderzoek geloof ik het nog steeds.’ of: ‘Ik heb dit geleerd, maar nu ik er bewust naar kijk past het niet meer bij mij.’ Een innerlijke stem heeft vaak een geschiedenis Mensen zeggen soms: ‘Mijn geweten zegt dit gewoon.’ Maar ook een geweten ontwikkelt zich. Een kind leert door: ouders, school, cultuur, religie, leeftijdgenoten, complimenten, correcties en eigen ervaringen. Daardoor kan een innerlijke reactie een geschiedenis hebben. De vraag hoeft daarom niet te zijn: ‘Is mijn geweten echt?’ Het gevoel is echt. De interessantere vraag is: ‘Hoe is mijn geweten gevormd, en welke delen daarvan onderschrijf ik vandaag nog?’ Een eenvoudig voorbeeld Stel dat iemand is opgegroeid in een gezin waarin geld uitgeven aan jezelf als egoïstisch werd gezien. Later verdient die persoon genoeg geld en kan hij zonder problemen een mooie jas kopen. Toch voelt hij schuld. Niemand zegt: ‘Dat mag niet.’ Niemand controleert hem. Maar de oude norm werkt nog: ‘Geld aan jezelf besteden is verkeerd.’ Dat is een voorbeeld van internalisering. Externe controle kan overbodig worden Wanneer een regel sterk geïnternaliseerd is, hoeft niemand hem meer af te dwingen. Een ouder hoeft niet aanwezig te zijn. Een leidinggevende hoeft niet te kijken. Een religieuze leider hoeft niet te bellen. De persoon controleert zichzelf. Dat is precies waarom internalisering zo krachtig kan zijn. De norm is niet langer alleen: ‘Wat verwachten zij?’ maar: ‘Wat verwacht ik van mezelf?’ Internalisering en religie Religie bevat vaak normen over gedrag, moraal, identiteit, relaties, kleding, seksualiteit, geld, tijd en geloof. Voor gelovigen kunnen zulke normen diep betekenisvol worden. Dat is op zichzelf niet vreemd. Een christen kan bijvoorbeeld niet alleen denken: ‘Mijn kerk zegt dat vergeving belangrijk is’ maar werkelijk zelf geloven: ‘Ik wil vergevingsgezind zijn.’ Dat is internalisering. Religieuze waarden kunnen dus volkomen authentiek onderdeel worden van iemands eigen identiteit. Binnen Jehovah’s Getuigen Ook binnen Jehovah’s Getuigen leren kinderen en volwassenen bepaalde normen en begrippen door herhaling en dagelijks leven. Dat kan gaan over: prediken , vergaderingen , wereldsheid , seksuele moraal , politieke neutraliteit , verjaardagen , feestdagen , omgang met andere mensen , doop , geestelijke doelen en loyaliteit aan Jehovah . Voor een actieve Jehovah’s Getuige kunnen zulke overtuigingen volledig eigen voelen: ‘Ik doe dit niet omdat iemand mij dwingt. Ik geloof zelf dat dit juist is.’ Dat kan ook werkelijk zo zijn. Internalisering betekent niet dat die overtuiging daarom nep is. ‘Wij vieren geen verjaardagen’ Een kind dat opgroeit als Jehovah’s Getuige hoort misschien vanaf jonge leeftijd: ‘Wij vieren geen verjaardagen.’ In het begin is dat vooral een gezinsregel. Later kan het kind zeggen: ‘Verjaardagen zijn verkeerd.’ Nog later hoeft niemand dat meer uit te leggen. Een uitnodiging voor een verjaardag kan automatisch ongemakkelijk voelen. De norm is dan niet alleen meer iets wat ouders zeggen. Hij is onderdeel geworden van de eigen morele beoordeling. Wat gebeurt er als de overtuiging later verandert? Dan kan een vreemde situatie ontstaan. Iemand denkt rationeel: ‘Ik geloof niet meer dat een verjaardag verkeerd is.’ Maar wanneer hij voor het eerst op een verjaardag zit, voelt hij spanning. Of schuld. Of zelfs: ‘Dit hoort niet.’ Dan lopen overtuiging en emotionele reactie niet gelijk. De oude norm is cognitief misschien veranderd, maar de geïnternaliseerde reactie kan langer blijven bestaan. ‘Ik weet dat het niet verkeerd is, maar het voelt verkeerd’ Dat is een van de meest herkenbare effecten. Iemand kan denken: ‘Ik weet dat ik niets verkeerds doe.’ en tegelijkertijd voelen: ‘Toch voelt het fout.’ Dat betekent niet automatisch dat het gevoel een soort diepere waarheid onthult. Het kan ook betekenen: ‘Mijn emotionele en morele systeem heeft deze regel jarenlang geoefend.’ Gevoel en overtuiging kunnen daarom tijdelijk uit elkaar lopen. Schuldgevoel kan geïnternaliseerd zijn Schuld is nuttig wanneer we werkelijk tegen onze waarden ingaan. Maar schuld kan ook worden geactiveerd doordat we een oude norm overtreden die we inmiddels niet meer bewust onderschrijven. Daarom kan de vraag helpen: ‘Heb ik iets gedaan wat ik vandaag zelf verkeerd vind, of heb ik iets gedaan wat ik vroeger heb geleerd verkeerd te vinden?’ Dat onderscheid kan bijzonder belangrijk zijn na een verandering van geloof of cultuur. Een voorbeeld: kleding Iemand heeft jarenlang geleerd dat bepaalde kleding te uitdagend, te opvallend of te ‘werelds’ is. Later kijkt hij daar anders tegenaan. Toch kan hij bij het aantrekken ervan denken: ‘Dit kan eigenlijk niet.’ Dan kan het nuttig zijn te onderzoeken: Vind ik dit vandaag echt ongepast? Of klinkt er nog een oude norm in mijn hoofd? Een voorbeeld: relatie Iemand heeft geleerd dat een relatie met iemand buiten het geloof niet juist is. Jaren later gelooft hij niet meer hetzelfde. Hij heeft een liefdevolle relatie met iemand buiten de vroegere religieuze gemeenschap. Toch kan er schuld ontstaan: ‘Doe ik iets verkeerd?’ De persoon kan de relatie rationeel gezond vinden en emotioneel toch oude alarm- of schuldreacties ervaren. Dat hoeft niet te betekenen dat hij de vroegere regel diep vanbinnen nog steeds onderschrijft. Het kan ook een geïnternaliseerde norm zijn die nog actief wordt. Een voorbeeld: prediking Ook positieve religieuze normen kunnen sterk geïnternaliseerd worden. Iemand kan jarenlang hebben geleerd: ‘Een goede christen deelt het goede nieuws.’ Hij kan daardoor oprecht gemotiveerd zijn om te prediken. Maar in een periode van vermoeidheid kan dezelfde norm veranderen in: ‘Als ik vandaag niet ga, ben ik niet geestelijk genoeg.’ Dan is het interessant om te onderzoeken of de innerlijke motivatie nog vrij en passend voelt, of dat zij steeds meer als verplichting wordt ervaren. Internalisering en voorrechten Hetzelfde kan gebeuren met religieuze taken. Iemand kan een verantwoordelijkheid krijgen en denken: ‘Wat een voorrecht.’ Na verloop van tijd hoeft niemand meer te zeggen dat hij veel moet doen. Hij kan zichzelf steeds hogere eisen stellen: ‘Ik moet beschikbaar zijn.’ ‘Ik mag niemand teleurstellen.’ ‘Als ik nee zeg, ben ik ondankbaar.’ Dat kan voortkomen uit oprechte toewijding én uit geïnternaliseerde verwachtingen. Niet alles wat van buiten komt blijft extern Dit is een belangrijk onderscheid. Soms wordt gezegd: ‘Maar niemand dwong mij.’ Dat kan volledig waar zijn. Een norm hoeft niet voortdurend van buitenaf opgelegd te worden om invloed te hebben. Juist door internalisering kan iemand zichzelf sturen. De vraag: ‘Wie dwong mij?’ is daarom soms te beperkt. Een andere vraag kan zijn: ‘Welke normen had ik zo eigen gemaakt dat ik mijzelf begon te corrigeren?’ Dat betekent niet dat iemand geen vrije wil heeft Internalisering maakt iemand niet automatisch onvrij. We hebben allemaal geïnternaliseerde waarden. Vrijheid hoeft niet te betekenen dat je geen invloed van opvoeding of cultuur hebt gehad. Misschien betekent autonomie eerder: dat je steeds beter kunt onderzoeken welke geïnternaliseerde waarden je werkelijk wilt behouden. Je kunt dus ontdekken: ‘Deze waarde heb ik van mijn ouders gekregen en ik wil haar houden.’ Dat is net zo goed een eigen keuze. Verschillende vormen van motivatie Binnen de psychologie wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende redenen waarom mensen iets doen. Iemand kan iets doen: om straf te voorkomen, om waardering te krijgen, omdat hij zich anders schuldig voelt, omdat hij de waarde ervan persoonlijk belangrijk vindt, of omdat het volledig past bij zijn identiteit. Die vormen kunnen door elkaar lopen. Daarom is de tegenstelling: ‘Ik deed het voor mezelf’ tegenover: ‘Ik deed het voor anderen’ vaak te simpel. ‘Ik moet’ kan ‘ik wil’ worden Een regel kan aanvankelijk van buitenaf komen: ‘Je moet naar de vergadering.’ Later: ‘Ik wil naar de vergadering, want dit is belangrijk voor mij.’ Dat kan echte persoonlijke overtuiging zijn. Maar het omgekeerde kan ook: iemand zegt ‘ik wil’ , terwijl een groot deel van de motivatie bestaat uit schuld of angst wanneer hij het níét doet. Daarom kan het helpen niet alleen te vragen: ‘Doe ik dit vrijwillig?’ maar: ‘Wat gebeurt er in mij als ik besluit het niet te doen?’ Schuld als innerlijke controle Stel: niemand controleert of iemand naar de vergadering gaat. Toch voelt hij sterke schuld wanneer hij thuisblijft. Dan kan de norm volledig van binnenuit werken. De persoon hoeft niet te denken: ‘Wat zullen de ouderlingen zeggen?’ Hij denkt misschien: ‘Jehovah zal teleurgesteld zijn.’ of: ‘Een geestelijk sterke persoon zou wel gaan.’ Op dat moment is de sociale norm sterk onderdeel geworden van het zelfbeeld. Identiteit maakt internalisering sterker Normen worden vaak krachtiger wanneer ze niet alleen gaan over wat je doet , maar over wie je bent . Vergelijk: ‘Ik ga prediken.’ met: ‘Ik ben een verkondiger.’ Of: ‘Mijn familie volgt deze religie.’ met: ‘Ik ben een Jehovah’s Getuige.’ Wanneer gedrag onderdeel wordt van identiteit, kan verandering veel groter voelen. Je verandert dan niet alleen een gewoonte. Het kan voelen alsof je antwoord moet geven op: ‘Wie ben ik nu?’ Internalisering begint vaak jong Kinderen nemen veel normen over voordat ze die filosofisch kunnen onderzoeken. Dat is normaal. Een klein kind vraagt niet bij iedere gezinsregel: ‘Wat is de wetenschappelijke en ethische onderbouwing hiervan?’ Het vertrouwt ouders. Dat vertrouwen is noodzakelijk voor ontwikkeling. Later ontstaat meer vermogen om waarden opnieuw te onderzoeken. Daarom kan iets dat op vijfjarige leeftijd gewoon: ‘zo doen wij dat’ was, op twintigjarige leeftijd een persoonlijke overtuiging zijn geworden. Wanneer wordt ‘ons’ uiteindelijk ‘mijn’? Dat is een belangrijke ontwikkelingsvraag. Een kind zegt eerst: ‘Wij geloven dit.’ Later: ‘Ik geloof dit.’ Maar de overgang is zelden één duidelijk moment. Ze ontstaat door: herhaling, uitleg, voorbeelden, eigen ervaringen, verbondenheid en persoonlijke reflectie. De vraag is daarom niet alleen: ‘Heb ik dit zelf gekozen?’ maar ook: ‘Heb ik later de kans gehad om het opnieuw te onderzoeken?’ Internalisering en socialisatie Socialisatie beschrijft breder hoe mensen leren functioneren binnen hun gezin, cultuur en groep. Internalisering is één mogelijke uitkomst daarvan: de normen van de omgeving worden onderdeel van de eigen innerlijke wereld. Je kunt het verschil zo zien: Socialisatie: ‘Dit is wat onze groep mij leert.’ Internalisering: ‘Dit voelt nu als wat ík zelf vind.’ Internalisering en sociale invloed Sociale invloed hoeft niet op te houden wanneer de andere mensen niet meer aanwezig zijn. Misschien is dat juist het meest opvallende aan internalisering. Een ouder kan overleden zijn. Iemand kan jaren uit een gemeente zijn. Een voormalige leraar kan allang uit beeld zijn. En toch kan hun boodschap blijven: ‘Dat hoort niet.’ ‘Zo iemand ben jij toch niet?’ ‘Wat zullen mensen denken?’ De groep hoeft dan niet meer letterlijk in de kamer te zijn. Internalisering en zelfcensuur Een geïnternaliseerde norm kan ook leiden tot zelfcensuur . Niemand zegt: ‘Plaats die foto niet.’ Toch denkt iemand: ‘Dat kan ik niet maken.’ Niemand zegt: ‘Vertel je ouders niet over je relatie.’ Toch houdt iemand het automatisch verborgen. Het kan helpen te onderzoeken: ‘Bescherm ik mezelf tegen een reëel gevolg, of heb ik ook een interne grens overgenomen die ik vandaag misschien anders zou willen stellen?’ Internalisering en angstconditionering Deze begrippen overlappen soms, maar zijn niet hetzelfde. Internalisering gaat vooral over normen, waarden en overtuigingen die onderdeel worden van het eigen denken. Angstconditionering gaat over aangeleerde koppelingen tussen een prikkel en een angstreactie. Ze kunnen samen voorkomen. Iemand kan rationeel denken: ‘Ik vind dit niet verkeerd.’ maar tegelijkertijd: ‘Mijn geweten zegt nee’ en lichamelijke spanning voelen. Dan kunnen zowel geïnternaliseerde normen als aangeleerde angstreacties meespelen. Internalisering en cognitieve dissonantie Wanneer een oude geïnternaliseerde norm botst met een nieuwe overtuiging kan cognitieve dissonantie ontstaan. Bijvoorbeeld: ‘Ik vind verjaardagen niet verkeerd.’ maar: ‘Ik voel mij schuldig omdat ik er een vier.’ De persoon heeft dan twee systemen die tijdelijk niet goed op elkaar aansluiten. Dat kan aanleiding zijn tot reflectie: Welke overtuiging onderschrijf ik vandaag werkelijk? De innerlijke ouder, ouderling of groep Mensen zeggen soms: ‘Ik hoor mijn moeder nog in mijn hoofd.’ of: ‘Ik hoor precies wat de ouderlingen zouden zeggen.’ Dat hoeft niet letterlijk stemmen horen te betekenen. Het kan eenvoudig verwijzen naar een sterk geïnternaliseerde verwachting. De mens heeft als het ware geleerd voorspellen: ‘Wat zou deze belangrijke persoon hiervan vinden?’ Na verloop van tijd kan die voorspelling onderdeel worden van de eigen zelfbeoordeling. Een geïnternaliseerde regel kan blijven nadat de groep weg is Dit helpt verklaren waarom iemand een religieuze groep kan verlaten en toch nog jarenlang oude regels kan voelen. Formeel is er vrijheid. Niemand controleert hem meer. Toch kan hij zichzelf nog steeds beoordelen volgens dezelfde maatstaven. Bijvoorbeeld: ‘Ben ik te werelds?’ ‘Ben ik egoïstisch?’ ‘Doe ik iets wat Jehovah afkeurt?’ ‘Wat als ik verkeerd gekozen heb?’ Dat kan verwarrend zijn: ‘Ik ben weg, waarom voel ik dit dan nog?’ Een mogelijk antwoord is: omdat de sociale omgeving verdwenen kan zijn voordat de geïnternaliseerde normen verdwenen zijn. Dit betekent niet dat alle oude normen moeten verdwijnen Na vertrek uit een religie hoeft het doel niet te zijn: alles omkeren. Misschien vindt iemand monogamie nog steeds belangrijk. Of eerlijkheid. Matigheid. Familiezorg. Vrijwilligerswerk. Bijbelstudie. Sommige waarden kunnen juist na kritisch onderzoek behouden blijven. Autonomie betekent niet: ‘Ik doe voortaan het tegenovergestelde.’ Het kan betekenen: ‘Ik kies bewust welke waarden ik wil meenemen.’ Vrijheid is niet automatisch het tegenovergestelde kiezen Dit is bijzonder belangrijk. Wie altijd heeft geleerd geen verjaardagen te vieren hoeft niet per se verjaardagen te gaan vieren om vrij te zijn. Wie altijd heeft geleerd bescheiden kleding te dragen hoeft niet ineens provocerend te kleden. Dat zou opnieuw betekenen dat de vroegere norm je gedrag bepaalt, alleen in omgekeerde richting. Vrijheid kan zijn: ‘Ik onderzoek wat ik zelf belangrijk vind en kies daarna.’ Kan een geïnternaliseerde overtuiging echt van jezelf worden? Ja. Dat iets ooit van buitenaf kwam betekent niet dat het nooit authentiek kan worden. Vrijwel al onze waarden hebben sociale wortels. De relevante vraag is niet: ‘Heb ik dit helemaal zelf bedacht?’ Bijna niemand bedenkt zijn hele moraal zelfstandig. Een bruikbaardere vraag is: ‘Heb ik deze waarde bewust onderzocht en wil ik haar nog steeds als de mijne beschouwen?’ Wat als ik niet weet wat van mij is? Na sterke socialisatie kan iemand denken: ‘Ik weet helemaal niet meer wat ik zelf wil.’ Dat kan tijdelijk verwarrend zijn. Je hoeft niet onmiddellijk alle antwoorden te hebben. Je kunt één onderwerp tegelijk onderzoeken: Wat vind ik van relaties? Wat vind ik van feestdagen? Wat vind ik van geloof? Wat vind ik van familieverantwoordelijkheid? Wat vind ik van seksualiteit? Wat vind ik van werk en vrije tijd? Eigen waarden ontstaan vaak niet in één groot moment, maar door veel kleine heroverwegingen. Nieuwe ervaringen kunnen helpen Sommige waarden ontdek je niet alleen door erover na te denken. Je ervaart iets nieuws. Je gaat voor het eerst naar een verjaardag. Je viert Kerst. Je gaat met iemand uit eten zonder schuldgevoel. Je kiest voor een relatie die vroeger niet toegestaan zou zijn. Daarna kun je onderzoeken: Hoe voelde dit werkelijk? Paste dit bij mijn waarden? Was mijn angst gebaseerd op wat er gebeurde of op wat ik verwachtte dat er zou gebeuren? Nieuwe ervaringen kunnen oude aannames bevestigen, nuanceren of veranderen. Het gevoel mag er zijn zonder dat het de beslissing neemt Wanneer een geïnternaliseerde norm wordt uitgedaagd, kan schuld of ongemak opkomen. Het hoeft niet meteen weg. Je kunt denken: ‘Ik merk dat dit verkeerd voelt.’ en tegelijk: ‘Ik ga onderzoeken waarom.’ Dat geeft ruimte tussen gevoel en conclusie. Niet: ‘Ik voel schuld, dus het is fout.’ maar: ‘Ik voel schuld. Welke norm wordt hier geraakt, en onderschrijf ik die norm vandaag nog?’ Voor actieve Jehovah’s Getuigen Een actieve Jehovah’s Getuige kan na onderzoek juist concluderen: ‘Ja, deze waarden zijn diep onderdeel van mij geworden en ik wil ze behouden.’ Dat is eveneens mogelijk. Internalisering is daarom geen argument vóór of tegen een geloof. Het beschrijft een psychologisch proces. Een norm kan zijn geïnternaliseerd en tegelijkertijd bewust, oprecht en persoonlijk worden onderschreven. Voor iemand die twijfelt Voor een twijfelende Jehovah’s Getuige kan het begrip helpen onderscheid te maken tussen: ‘Wat geloof ik?’ ‘Wat voel ik?’ en: ‘Wat heb ik geleerd te voelen?’ Die drie antwoorden hoeven niet altijd hetzelfde te zijn. Onderzoek hoeft niet vooraf naar vertrek of blijven te leiden. Het kan juist helpen helderder te zien welke overtuigingen werkelijk persoonlijk zijn geworden. Voor iemand die vertrokken is Na vertrek kan de belangrijkste vraag veranderen van: ‘Wat mag volgens de organisatie?’ naar: ‘Wat vind ik zelf verantwoord?’ Dat klinkt eenvoudig, maar kan na tientallen jaren ingewikkeld zijn. Een eigen kompas moet soms opnieuw worden onderzocht. Niet omdat iemand geen normen meer heeft. Juist omdat hij wil weten: welke normen wil ik bewust behouden, en welke niet meer? Wanneer professionele hulp kan helpen Wanneer oude normen gepaard gaan met ernstige schuld, angst, dwangmatige zelfcontrole of moeite om dagelijkse keuzes te maken, kan een psycholoog helpen. Een goede hulpverlener hoeft niet te bepalen welke religieuze overtuiging juist is. Wel kan hij helpen onderscheid te maken tussen: huidige waarden , aangeleerde reacties , angst , schuld en eigen keuze . Bij religieuze thema’s kan kennis van geloofsopvoeding en religieuze verandering daarbij prettig zijn. Vragen om over na te denken Welke regels voelen voor mij vanzelfsprekend? Wanneer heb ik ze geleerd? Van wie heb ik ze geleerd? Heb ik deze waarden later ooit bewust opnieuw onderzocht? Welke normen onderschrijf ik vandaag nog volledig? Welke voelen nog sterk, terwijl ik ze rationeel niet meer deel? Wat gebeurt er in mij wanneer ik een oude regel overt reed? Voel ik schuld omdat ik iemand werkelijk schade heb gedaan, of omdat ik een aangeleerde norm heb doorbroken? Welke oude waarden wil ik bewust behouden? Welke wil ik aanpassen of loslaten? Doe ik iets omdat ik het zelf belangrijk vind, omdat ik bang ben voor schuld, of beide? Kan ik een waarde opnieuw kiezen zonder te doen alsof mijn opvoeding er geen invloed op heeft gehad? Kan ik een oude norm loslaten zonder automatisch het tegenovergestelde te moeten doen? Wat zou ik geloven of kiezen als ik dit onderwerp vandaag voor het eerst rustig mocht onderzoeken? Samenvatting Internalisering is het proces waarbij normen, overtuigingen en verwachtingen van buitenaf onderdeel worden van onze eigen innerlijke wereld. Dat is een normaal en noodzakelijk menselijk proces. We leren vrijwel al onze eerste waarden via andere mensen. Sommige daarvan maken we later bewust tot de onze. Andere blijven functioneren terwijl we ze inhoudelijk niet meer onderschrijven. Daarom kan iemand rationeel anders gaan denken terwijl schuld, schaamte of een gevoel van ‘dit hoort niet’ nog aanwezig blijven. Dat betekent niet automatisch dat de oude overtuiging diep vanbinnen toch waar voelt. Het kan betekenen dat een norm langdurig is geoefend en sterk geïnternaliseerd is. Andersom betekent een sociale oorsprong ook niet dat een overtuiging onecht is. Een waarde kan ooit van ouders, cultuur of religie zijn gekomen en later na persoonlijk onderzoek werkelijk eigen worden. Misschien ligt autonomie daarom niet in het volledig loskomen van iedere invloed. Misschien ligt ze in het vermogen om te onderzoeken: Welke waarden heb ik meegekregen? Welke daarvan wil ik bewust behouden? En welke passen niet meer bij wie ik nu ben? ‘Vind ik dit zelf werkelijk juist of verkeerd — of voelt het zo omdat ik het zo diep heb geleerd?’ Bronnen Edward L. Deci & Richard M. Ryan - Self-Determination Theory en internalisering van motivatie Richard M. Ryan & Edward L. Deci - Intrinsic and Extrinsic Motivations: Classic Definitions and New Directions Albert Bandura - Social Learning Theory en Social Cognitive Theory Leon Festinger - A Theory of Cognitive Dissonance Henri Tajfel & John Turner - Social Identity Theory American Psychological Association - informatie over socialisatie, motivatie, schuldgevoel en identiteitsontwikkeling Zie ook in A-Z Begrippenlijst Psychologie A - Angstconditionering - Waarom kan een oude angstreactie blijven bestaan nadat je rationeel anders denkt? C - Cognitieve dissonantie - Wat gebeurt er wanneer overtuiging, gedrag en gevoel met elkaar botsen? G - Groepsidentiteit - Hoe kan lidmaatschap van een groep onderdeel worden van wie je bent? S - Sociale invloed - Hoe beïnvloeden andere mensen onze gedachten en keuzes zonder directe dwang? S - Socialisatie - Hoe leren we de normen en waarden van onze omgeving? Z - Zelfcensuur - Wat gebeurt er wanneer je jezelf begrenst zonder dat iemand dat op dat moment rechtstreeks van je vraagt? Lees ook op ExJW.World G - Geloofsopvoeding - Hoe krijgen kinderen geloof, normen en religieuze gewoonten mee? G - Geweten - Hoe ontstaat het gevoel dat iets goed of verkeerd is? O - Ongedoopte verkondiger - Wanneer wordt meedoen aan de prediking een eigen religieuze identiteit? V - Voorrechten - Hoe kunnen religieuze verantwoordelijkheden onderdeel worden van motivatie en identiteit? V - Vrije wil - Hoe vrij voelt een keuze wanneer overtuiging, geweten en sociale gevolgen allemaal meespelen? W - Werelds - Wat gebeurt er wanneer religieuze categorieën onderdeel worden van het eigen denken?