EXJW WorldKennisbibliotheek

Kennisbibliotheek › 🧠 A-Z Encyclopedie van de Psychologie

A - Aangeleerd optimisme

Een helpende, realistische kijk op tegenslag ontwikkelen

Herkenbare vragen Waarom denk ik na een tegenslag zo snel dat het nooit meer goedkomt? Waarom voelt één probleem soms alsof meteen álles misgaat? Kan ik leren om problemen minder permanent en allesomvattend te zien? Wat is het verschil tussen optimisme en jezelf iets wijsmaken? Wat is aangeleerd optimisme? Aangeleerd optimisme gaat niet over positief denken of doen alsof problemen er niet zijn. Het gaat over hoe je verklaart wat er gebeurt , vooral wanneer iets tegenzit. Het begrip is vooral bekend geworden door psycholoog Martin Seligman. Volgens deze benadering kunnen mensen een bepaalde verklaringsstijl ontwikkelen. Bij tegenslag kan je denken bijvoorbeeld snel drie kanten opgaan: Dit blijft zo. Dit beïnvloedt alles. Dit komt door mij. Aangeleerd optimisme betekent dat je leert onderzoeken of die conclusies werkelijk kloppen. Misschien is een probleem tijdelijk in plaats van blijvend , specifiek in plaats van allesomvattend en zijn er meerdere oorzaken in plaats van alleen jijzelf . Je probeert de werkelijkheid dus niet mooier te maken. Je probeert haar niet negatiever of definitiever te maken dan de feiten toelaten . Waarom kan ons brein dit doen? Mensen proberen voortdurend te begrijpen waarom dingen gebeuren. Door ervaringen en herhaling kunnen bepaalde verklaringen steeds automatischer worden. Wanneer je vaak hebt ervaren of verwacht dat situaties slecht aflopen, kan een nieuwe tegenslag daardoor snel voelen als bevestiging: Zie je wel, het gaat bij mij altijd zo. Eén gebeurtenis wordt dan ongemerkt bewijs voor een veel grotere conclusie. Maar zo'n verklaringsstijl is niet volledig vastgelegd. Je kunt leren onderscheid te maken tussen wat er werkelijk gebeurd is en wat je brein daar vervolgens van maakt . Daardoor ontstaat ruimte voor andere verklaringen en voor verandering. Voorbeeld uit het dagelijks leven Je wordt afgewezen voor een baan. Je eerste gedachte kan zijn: Zie je wel. Niemand wil mij. Ik zal nooit een goede baan vinden. Je kunt dezelfde gebeurtenis ook zo bekijken: Deze sollicitatie is niet gelukt. Ik weet nog niet precies waarom. Misschien paste iemand anders beter bij deze functie, misschien kan ik iets verbeteren en een volgende sollicitatie kan anders verlopen. De tweede gedachte ontkent de afwijzing niet. Die kan nog steeds pijnlijk zijn. Maar één afwijzing wordt niet automatisch bewijs voor je hele toekomst. Dat is het verschil tussen realistisch optimisme en wensdenken . Wensdenken zegt: Het komt vast goed. Realistisch optimisme zegt: Ik weet niet hoe het afloopt, maar deze ene tegenslag bewijst niet dat het altijd zo zal blijven. Hoe kan dit voorkomen binnen hechte of sterk gestructureerde groepen? Binnen religieuze, sociale of andere hechte groepen kunnen duidelijke verklaringen voor goed en fout, succes en tegenslag veel zekerheid geven. Gebeurtenissen krijgen daardoor soms snel een duidelijke betekenis. Sommige mensen merken tijdens twijfel, verandering of na het verlaten van een groep dat zij dat verklaringspatroon blijven gebruiken. Een moeilijke periode kan dan bijvoorbeeld gedachten oproepen als: Misschien komt dit doordat ik een verkeerde keuze heb gemaakt. Misschien is dit mijn eigen schuld. Misschien bewijst dit dat het slecht met mij zal aflopen. Het is belangrijk om zulke gedachten niet meteen als waar of onwaar te bestempelen, maar eerst te onderzoeken: wat weet ik feitelijk en welke betekenis geef ik er zelf aan? Dit patroon komt overigens niet alleen binnen religieuze groepen voor. Opvoeding, perfectionisme, langdurige stress, eerdere ervaringen en andere omstandigheden kunnen eveneens invloed hebben op de manier waarop iemand tegenslagen verklaart. Wat kun je ermee? Let eens op woorden als altijd, nooit, alles, niemand en iedereen . Ze kunnen een aanwijzing zijn dat je van één gebeurtenis een algemene conclusie maakt. Vraag jezelf vervolgens: Is dit werkelijk blijvend, of kan de situatie veranderen? Raakt dit echt mijn hele leven, of vooral dit ene onderdeel? Ligt dit volledig aan mij, of spelen er meerdere factoren mee? Wat weet ik zeker en wat voorspel of veronderstel ik? Waar heb ik op dit moment wél invloed op? Daarna kun je één kleine concrete stap kiezen. Niet omdat daarmee alles direct opgelost is, maar omdat je jezelf laat ervaren dat een situatie niet volledig vast hoeft te liggen. Vragen om over na te denken Welke negatieve voorspelling maak ik regelmatig? Gebruik ik daarbij woorden als altijd of nooit ? Is mijn conclusie een feit of een verwachting? Maak ik van één probleem ongemerkt een oordeel over mijn hele leven of over mezelf? Welke andere verklaring past óók bij de feiten? Wat kan er nog veranderen? Samenvatting Aangeleerd optimisme betekent niet geloven dat alles goedkomt. Het betekent leren om een tegenslag niet automatisch als blijvend, allesomvattend of volledig persoonlijk te verklaren . Door te onderzoeken wat er werkelijk gebeurd is, wat je nog niet weet en welke andere verklaringen mogelijk zijn, kun je realistischer naar een moeilijke situatie kijken. Het probleem verdwijnt daarmee niet, maar de gedachte dit zal altijd zo blijven hoeft niet langer automatisch de waarheid te zijn. Bronnen en verdieping Martin E.P. Seligman (1990), Learned Optimism , Knopf. Seligman beschrijft hierin hoe optimistische en pessimistische verklaringsstijlen kunnen ontstaan en beïnvloed kunnen worden. Lyn Y. Abramson, Martin E.P. Seligman & John D. Teasdale (1978), Learned Helplessness in Humans: Critique and Reformulation , Journal of Abnormal Psychology , 87, 49–59. Een belangrijk wetenschappelijk artikel over de rol van verklaringen en verwachtingen bij hulpeloosheid. Gregory Buchanan & Martin E.P. Seligman (red.) (1995), Explanatory Style , Lawrence Erlbaum Associates. Wetenschappelijke verdieping over verklaringsstijlen en de manier waarop mensen positieve en negatieve gebeurtenissen interpreteren. Lees ook Aangeleerde hulpeloosheid – wanneer je gaat verwachten dat je toch geen invloed hebt. Confirmation bias – waarom we sneller informatie zien die bevestigt wat we al geloven. Cognitieve dissonantie – wat er gebeurt wanneer overtuigingen en ervaringen met elkaar botsen. Angstconditionering – hoe automatische angstreacties kunnen worden aangeleerd. Framing – hoe de manier waarop informatie wordt aangeboden invloed heeft op hoe we haar begrijpen. Zelfstandig leren denken – leren onderzoeken wat je zelf denkt, weet en concludeert.