ERKENNBARE FRAGEN

Waarom doet buitengesloten worden zo pijn, soms zelfs jaren later?

Waarom mis ik mijn familie en vrienden zo erg, terwijl ik tegelijkertijd weet dat ik niet terug wil naar mijn oude geloof?

Waarom voelt het alsof ik niet alleen mensen, maar ook een deel van mezelf ben kwijtgeraakt?

Met wie kan ik nog over mijn jeugd praten als juist de mensen die erbij waren geen contact meer met mij hebben?

Waarom kan de gedachte “als ik terugga, krijg ik misschien iedereen terug” zo aantrekkelijk zijn?

Waarom voel ik me schuldig omdat mijn familie vindt dat ík degene ben die deze situatie heeft veroorzaakt?

Kan ik mensen intens missen en tegelijkertijd trouw blijven aan mezelf?

Deze gevoelens kunnen onder andere samenhangen met ostracisme.

WAT IS OSTRACISME?

Ostracisme betekent dat iemand door één of meer anderen wordt genegeerd of buitengesloten.

Dat kan heel zichtbaar zijn: iemand wordt niet meer uitgenodigd of aangesproken.

Maar het kan ook stil gebeuren. Berichten worden niet beantwoord. Mensen kijken weg wanneer je elkaar tegenkomt. Familiegesprekken gaan zonder jou verder. Mensen die jarenlang vanzelfsprekend deel van je leven waren, behandelen je alsof je er niet meer bij hoort.

Er hoeft dus niet geschreeuwd, gedreigd of beledigd te worden om buitensluiting pijnlijk te maken.

Psycholoog Kipling Williams doet al tientallen jaren onderzoek naar ostracisme. Zijn onderzoek laat zien dat sociale uitsluiting vier fundamentele menselijke behoeften kan bedreigen:

Erbij horen
Hoor ik nog ergens bij?

Eigenwaarde
Ben ik nog belangrijk voor anderen?

Controle
Kan ik iets doen om deze situatie te veranderen?

Een betekenisvol bestaan
Word ik nog gezien? Doe ik er nog toe?

Zelfs relatief korte experimentele situaties van buitensluiting kunnen deze behoeften aantasten. Langdurig verlies van contact met mensen met wie iemand een sterke emotionele band heeft, is uiteraard veel complexer.

WAAROM DOET BUITENSLUITING ZO PIJN?

Mensen zijn sociale wezens.

Gedurende onze evolutionaire geschiedenis waren andere mensen belangrijk voor bescherming, voedsel, samenwerking, zorg en overleving.

We zien iets vergelijkbaars bij veel sociale dieren. Bij verschillende sociale diersoorten kunnen relaties met soortgenoten samenhangen met gezondheid en overlevingskansen.

De vergelijking met een kudde is daarom begrijpelijk.

Maar wetenschappelijk kunnen we niet zeggen:

“Een dier dat uit zijn kudde wordt verstoten, sterft meestal.”

Daarvoor is de werkelijkheid te verschillend per diersoort en situatie.

Wat we wél weten, is dat afzondering bij sociale dieren ernstige gevolgen kan hebben en dat sterke sociale banden bij verschillende soorten samenhangen met gezondheid en overleving.

Ook bij mensen is sociale verbondenheid belangrijk voor gezondheid en welzijn.

Daarom kan buitensluiting veel dieper worden ervaren dan alleen:

“Jammer, deze mensen praten niet meer met mij.”

Het kan voelen als:

“Mijn familie bestaat nog. Mijn groep bestaat nog. Alleen ik hoor er niet meer bij.”

JE VERLIEST NIET ALLEEN MENSEN

Dit is misschien een van de moeilijkste onderdelen van langdurige uitsluiting.

Je familie en oude vrienden zijn niet alleen mensen van wie je houdt.

Zij zijn getuigen van jouw leven.

Je broer weet nog hoe jullie ouderlijk huis eruitzag.

Je zus weet nog wat er gebeurde tijdens die ene vakantie.

Je ouders kennen gebeurtenissen uit je jeugd.

Een jeugdvriend kent misschien mensen en situaties waar je jaren later nog samen om kon lachen.

Met iemand die erbij was, hoef je soms maar te zeggen:

“Weet je nog?”

En de ander weet precies wat je bedoelt.

Soms is het juist fijn om samen oude koeien uit de sloot te halen.

Niet omdat je in het verleden wilt blijven hangen, maar omdat gedeelde herinneringen onderdeel zijn van menselijke verbondenheid.

Onderzoek naar autobiografisch geheugen laat zien dat herinneringen niet alleen helpen gebeurtenissen uit ons verleden te bewaren. Ze hebben ook sociale en identiteitsfuncties.

Wanneer veel mensen die getuige waren van jouw verleden tegelijkertijd verdwijnen, verlies je niet letterlijk een deel van je geheugen of identiteit.

Maar het kan wel zo voelen.

Alsof een deel van je levensarchief ineens niet meer gedeeld kan worden.

HET KAN VOELEN ALS EEN AMPUTATIE

Sommige mensen omschrijven langdurig verlies van hun sociale omgeving als:

“Het voelt alsof een deel van mij is geamputeerd.”

Dat is geen medische omschrijving van ostracisme.

Het is een metafoor.

Maar het beeld is begrijpelijk.

De mensen die verdwijnen kunnen verweven zijn met twintig, dertig, veertig of meer jaren van je leven.

Je jeugd.

Je opvoeding.

Je relaties.

Je kinderen.

Urlaube.

Trauer.

Witze.

Fehler.

Familiengeschichten.

Momente, von denen fast niemand sonst weiß, dass sie je existiert haben.

Neue Menschen können unglaublich wichtig werden.

Aber jemand, den du heute kennenlernst, konnte nicht schon damals dabei gewesen sein, als du zehn warst.

Deshalb kann die Bemerkung:

„Dann such dir doch einfach neue Freunde.“

zu kurz greifen.

Neue Menschen können mit dir neue Erinnerungen schaffen.

Aber sie ersetzen nicht automatisch eine gemeinsame Vergangenheit.

UM MENSCHEN TRAUERN, DIE NOCH LEBEN

Ostracismus kann dadurch eine besondere Form von Verlust verursachen.

Die Menschen, die du vermisst, sind nicht gestorben.

Sie leben noch.

Vielleicht wohnen sie nicht einmal weit von dir entfernt.

Du weißt, dass deine Mutter, dein Vater, dein Bruder, deine Schwester, dein Kind oder dein alter Freund einfach weiterlebt.

Aber du bist kaum noch oder gar nicht mehr Teil dieses Lebens.

Forscher, die ehemalige Zeugen Jehovas interviewten, verwendeten dafür die Bezeichnung “grieving the living”:

um die Lebenden trauern.

In dieser Studie beschrieben ehemalige Zeugen Jehovas unter anderem Ostracismus, den Verlust sozialer Identität und ein vermindertes psychisches Wohlbefinden.

Es handelte sich um eine kleine qualitative Studie. Die Ergebnisse dürfen daher nicht auf alle ehemaligen Zeugen Jehovas übertragen werden.

Aber das Phänomen wird also tatsächlich wissenschaftlich untersucht. Die Version auf deiner Website benennt diese Einschränkung zu Recht.

UND DOCH WEISST DU: ICH KÖNNTE VIELLEICHT ZURÜCKGEHEN

Hier entsteht ein sehr kompliziertes Dilemma.

Die Menschen sind noch da.

Und vielleicht weißt du:

Wenn ich zum Glauben zurückkehre, werde ich vielleicht wieder von allen aufgenommen.

Einerseits kannst du denken:

Ich glaube nicht mehr, was ich früher geglaubt habe.

Ich will nicht in einem System leben, an das ich nicht mehr glaube.

Ich will meine eigenen Entscheidungen treffen können.

Ich will mir selbst treu bleiben.

Und gleichzeitig kann ein anderer Gedanke sehr stark präsent sein:

Aber ich vermisse meine Leute.

Vielleicht willst du deine Mutter zurück.

Deine Kinder.

Deine Brüder und Schwestern.

Deine Freunde.

Die Menschen, die deine Geschichte kennen.

Das vertraute Gefühl, irgendwo dazuzugehören.

Diese beiden Gefühle können gleichzeitig bestehen.

Du kannst deine Familie schmerzlich vermissen, ohne wieder an den Glauben zu glauben.

Und du kannst hinter deiner Entscheidung stehen und gleichzeitig tiefen Schmerz über ihre Folgen empfinden.

„ABER ICH HABE MICH DOCH SELBST DAFÜR ENTSCHIEDEN?“

Hier kann ein starkes Schuldgefühl entstehen.

Familienmitglieder können denken oder sagen:

„Du bist gegangen.“

„Das ist deine Entscheidung.“

Und mit der Zeit kannst du selbst auch so anfangen zu denken.

Deshalb kann es helfen, zwei verschiedene Entscheidungen voneinander zu trennen.

Die eine Entscheidung kann sein:

„Ich kann nicht länger sagen, dass ich etwas glaube, wenn ich es nicht mehr glaube.“

Die andere Entscheidung kann sein:

„Weil du nicht mehr dasselbe glaubst wie wir, haben wir keinen oder nur eingeschränkten Kontakt zu dir.“

Das sind nicht dieselben Entscheidungen.

Das bedeutet nicht automatisch, dass Familienmitglieder böse Absichten haben. Sie können aufrichtig glauben, dass ihr Handeln religiös richtig oder notwendig ist.

Aber jemand, der seine Glaubensüberzeugung ändert, muss damit nicht automatisch für jede soziale Konsequenz verantwortlich sein, die andere daraus ableiten.

Du kannst gleichzeitig denken:

„Ich verstehe, dass sie aus ihrem Glauben heraus handeln.“

und:

„Es tut furchtbar weh, was dadurch mit unserer Beziehung passiert.“

WARUM DIE RÜCKKEHR SO ANZIEHEND WIRKEN KANN

Das ist wichtig für Familienmitglieder und auch für Helfer zu verstehen.

Jemand kann erwägen zurückzukehren, ohne wieder vom Glauben überzeugt zu sein.

Vielleicht vermisst diese Person vor allem:

die Familie;

die Freunde;

die Gemeinschaft;

die Vertrautheit;

die gemeinsame Geschichte;

das selbstverständliche „wir“.

Deshalb kann bei jemandem, der sagt:

„Vielleicht sollte ich einfach zurückgehen.“

eine wichtige Anschlussfrage sein:

„Was genau vermisst du?“

Die Antwort kann nämlich sein:

„Nicht den Glauben. Meine Leute.“

OSTRACISMUS UND PSYCHISCHE GESUNDHEIT

Du fragtest zuvor, ob Ostracismus als „die schlimmste Form psychischer Misshandlung“ bezeichnet werden kann.

Das lässt sich wissenschaftlich nicht so sagen.

Es gibt keine verlässliche wissenschaftliche Rangliste, mit der Ostracismus als die schlimmste Form psychischer Misshandlung eingestuft werden könnte.

Was die Forschung jedoch stützt, ist, dass lang andauernder sozialer Ausschluss sehr einschneidend sein kann.

Einsamkeit und soziale Isolation stehen mit einem schlechteren psychischen und körperlichen Wohlbefinden in Zusammenhang. Forschung hat außerdem Zusammenhänge zwischen schwerer Einsamkeit und suizidalen Gedanken und Verhaltensweisen gefunden.

Das bedeutet ausdrücklich nicht:

Ostracismus verursacht Selbstmord.

Suizidalität ist komplex und hat meist mehrere Faktoren.

Das bedeutet aber sehr wohl, dass lang anhaltender Ausschluss, der Verlust eines sozialen Netzwerks, Hoffnungslosigkeit und schwere Einsamkeit nicht bagatellisiert werden dürfen.

Gerade das ist für Hausärzte und Psychologen relevant, die jemanden begleiten, der einen großen Teil seines sozialen Netzwerks verloren hat. In deinem aktuellen Text wird auch dieser Unterschied sorgfältig beschrieben.

WAS KANNST DU DAMIT ANFANGEN?

Versuche nicht, von dir selbst zu verlangen, dass du dich zwischen Folgendem entscheiden musst:

„Ich vermisse sie.“

und:

„Ich will nicht zurück.“

Beide Gefühle dürfen nebeneinander bestehen.

Versuche auch herauszufinden, was du genau verloren hast.

Vermisst du den Glauben?

Oder vermisst du deine Familie?

Deine Freunde?

Deine Gemeinschaft?

Dein vertrautes soziales Leben?

Deine Zukunftsvision?

Menschen, die deine Geschichte kennen?

Je besser du verstehst, was dir fehlt, desto besser kannst du untersuchen, welche Teile davon vielleicht wieder aufgebaut werden können.

Außerdem kann es helfen, deine Lebensgeschichte bewusst zu bewahren.

Schreibe Erinnerungen auf.

Bewahre Fotos auf.

Erzähle deinem Partner, deinen Kindern oder neuen Freunden Geschichten.

Neue Menschen waren nicht bei deiner Vergangenheit dabei.

Aber sie können zu Menschen werden, bei denen deine Vergangenheit willkommen ist.

Wenn Einsamkeit, Niedergeschlagenheit, Schuldgefühle oder Verzweiflung immer schwerer wiegen, ist es ratsam, dies mit einem Hausarzt, einer POH-GGZ, einem Psychologen oder einer anderen Fachkraft zu besprechen.

FRAGEN ZUM NACHDENKEN

• Vermisse ich den Glauben, oder vermisse ich vor allem die Menschen?

• Wenn meine Familie morgen wieder normalen Kontakt mit mir hätte, ohne dass ich zum Glauben zurückkehren müsste, würde ich dann noch zurückwollen?

• Welche Menschen haben wichtige Teile meines Lebens mitbekommen?

• Welche Erinnerungen kann ich mit fast niemandem mehr teilen?

• Was vermisse ich am meisten: Liebe, Familie, Vertrautheit, Gemeinschaft, Sicherheit oder Identität?

• Fühle ich Schuld, weil ich etwas getan habe, das gegen meine eigenen Werte verstößt, oder weil andere meine Entscheidung ablehnen?

• Welchen Preis würde ich selbst zahlen, wenn ich zurückginge?

• Welchen Preis zahle ich, wenn ich nicht zurückgehe?

• Was bedeutet es für mich, mir selbst treu zu bleiben?

• Kann ich Liebe, Verlust, Wut, Erleichterung und Zweifel gleichzeitig zulassen?

FÜR DEN HAUSARZT ODER PSYCHOLOGEN

Für jemanden, der über längere Zeit ausgeschlossen wird, kann es helfen, deutlich zu machen, dass der Verlust möglicherweise viel größer ist als:

„Ich habe keinen Kontakt mehr zu meiner Familie.“

Es kann um den gleichzeitigen Verlust von Folgendem gehen:

Familie;

Freunden;

Gemeinschaft;

sozialer Identität;

täglichen Kontakten;

gemeinsamen Erinnerungen;

vertrauten Rollen;

einer Zukunftsvision;

und von Menschen, die jahrzehntelang Zeugen des Lebens dieser Person waren.

Bei ehemaligen Jehovah's Zeugen kommt noch ein kompliziertes Element hinzu:

Die Menschen, um die jemand trauert, leben noch.

Und manchmal besteht gleichzeitig der Gedanke, dass die Wiederaufnahme dieser Kontakte möglich sein könnte, wenn jemand zum Glauben zurückkehrt.

Dadurch können sich Trauer, Schuld, Hoffnung, Identität, Glauben und Verbundenheit ständig miteinander vermischen.

Es ist daher sinnvoll, nicht nur zu fragen:

„Warum kannst du es nicht loslassen?“

sondern auch:

Welche Menschen hast du verloren?

Wie groß war dein soziales Netzwerk vor und nach dem Weggang?

Wer kennt deine Lebensgeschichte?

Ziehst du eine Rückkehr in Betracht, weil du wieder glaubst, oder weil du die Menschen vermisst?

Wie schwer sind die Einsamkeit und Hoffnungslosigkeit?

Gibt es Gedanken, dass das Leben nicht mehr lebenswert ist, oder Gedanken an Suizid?

Das kann einer Fachkraft helfen, den Umfang des Verlusts besser zu verstehen.

ZUSAMMENFASSUNG

Ostrakismus bedeutet, dass jemand ignoriert oder ausgeschlossen wird.

Die Forschung zeigt, dass soziale Ausgrenzung grundlegende menschliche Bedürfnisse nach Zugehörigkeit, Selbstwert, Kontrolle und Sinn bedrohen kann.

Für manche ehemalige Jehovah's Zeugen kann Ausschluss weit über den Verlust einiger sozialer Kontakte hinausgehen.

Es können die Menschen sein, die jahrzehntelang Teil ihres Lebens waren.

Die Menschen, die ihre Kindheit kennen.

Ihre Familiengeschichte.

Ihren Fehler.

Ihre Geschichten.

Ihren „weißt du noch?“

Dadurch kann es sich so anfühlen, als würden nicht nur Menschen verschwinden, sondern als könnte ein Teil der eigenen Lebensgeschichte nirgendwo mehr hin.

Und gerade weil diese Menschen noch leben und eine Rückkehr zum Glauben möglicherweise auch eine Wiederherstellung von Kontakten bedeuten könnte, kann ein besonders schmerzhaftes Dilemma entstehen:

Bleibe ich mir selbst treu, oder kehre ich zu einem Glauben zurück, an den ich nicht mehr glaube, um meine Leute zurückzubekommen?

Du kannst jemanden tief vermissen und gleichzeitig wissen, dass du nicht zum Glauben zurückkehren willst.

Diese beiden Gefühle widersprechen sich nicht.