Kennisbibliotheek › Herstel
Na vertrek ineens grenzeloos?
Waarom sommige voormalige Jehovah’s Getuigen na een sterk gereguleerd leven opnieuw hun identiteit, waarden en grenzen moeten ontdekken
Herkenbare vragen Waarom lijken sommige ex-JG’s na hun vertrek ineens veel te willen uitproberen? Kan het voelen alsof je op latere leeftijd opnieuw door een soort puberteit gaat? Waarom is vrijheid soms moeilijker dan verwacht? Wat gebeurt er wanneer God jarenlang bepaalde grenzen bepaalde en je die daarna zelf moet leren stellen? Kun je volwassen zijn en toch weinig ervaring hebben met daten, seksualiteit, uitgaan of persoonlijke grenzen? Waarom gaan sommige mensen van het ene uiterste naar het andere? Betekent dat dat de waarschuwingen over ‘de wereld’ toch klopten? En hoe ontwikkel je een eigen kompas wanneer je niet meer wilt leven vanuit verboden, maar ook niet grenzeloos wilt worden? Gaan voormalige Jehovah’s Getuigen werkelijk vaker ‘los’? Sommige voormalige Jehovah’s Getuigen herkennen een periode waarin ze na vertrek veel gingen uitproberen. Uitgaan. Alcohol. Roken. Daten. Seks. Festivals. Andere kleding. Nieuwe vrienden. Feestdagen. Dingen die vroeger verboden waren of sterk werden afgeraden. Soms levert dat vooral nieuwe en positieve ervaringen op. Soms maakt iemand keuzes waar hij later anders op terugkijkt. Maar daaruit kunnen we niet concluderen: ‘Ex-JG’s maken meer fouten dan mensen die nooit Jehovah’s Getuige zijn geweest.’ Daar is onvoldoende goed vergelijkend onderzoek voor. Het is daarom belangrijk onderscheid te maken tussen een herkenbare ervaring bij sommige ex-JG’s en een eigenschap die voor de hele groep zou gelden. ‘Het voelde alsof ik opnieuw ging puberen’ Sommige mensen omschrijven de eerste jaren na vertrek als een tweede puberteit . Dat is geen officiële psychologische diagnose. Maar als beeld kan het herkenbaar zijn. De adolescentie en jongvolwassenheid zijn normaal gesproken perioden waarin mensen steeds zelfstandiger onderzoeken: Wie ben ik? Wat wil ik? Met wie wil ik een relatie? Wat vind ik van seks? Hoe wil ik mij kleden? Hoeveel wil ik drinken? Welke waarden zijn werkelijk van mij? Waar liggen mijn grenzen? Wanneer een groot deel van die antwoorden binnen gezin en religieuze gemeenschap al sterk was ingevuld, kan een deel van dat persoonlijke onderzoek pas later plaatsvinden. Misschien zijn uitgestelde exploratie of inhaalontwikkeling daarom nauwkeurigere woorden. Je wordt niet opnieuw zestien. Maar bepaalde onderdelen van identiteit en autonomie krijgen pas later werkelijk ruimte. Toen wist ik wat niet mocht Binnen een duidelijk religieus kader hoeven veel vragen niet telkens opnieuw persoonlijk te worden afgewogen. Er bestaan antwoorden op onderwerpen als seksualiteit, relaties, roken, drugs, omgang, feestdagen, kleding en huwelijk. Voor iemand die daarin gelooft kan dat juist veiligheid geven: ‘Ik weet wat Jehovah van mij verwacht.’ Zelfbeheersing kan daardoor sterk verbonden raken met de vraag: ‘Mag dit volgens God?’ in plaats van: ‘Wil ík dit, waar ligt mijn grens en waarom?’ Zolang iemand het religieuze kader volledig onderschrijft, hoeven die twee helemaal niet te botsen. De religieuze norm kan ook de persoonlijke norm zijn. Maar wanneer het geloof later verandert, kan ook de vroegere reden om een grens te bewaken plotseling minder overtuigend worden. ‘Eerst hield God mij tegen. Daarna moest ik het zelf uitzoeken.’ Een voormalige Jehovah’s Getuige kan terugkijken en denken: ‘Vroeger wist ik waarom ik sommige dingen niet deed: God wilde het niet. Toen ik dat niet meer geloofde, moest ik ineens zelf uitzoeken wat ik wél en niet wilde.’ Dat is een grotere overgang dan alleen: ‘Dit mag nu.’ De vragen veranderen: Wil ik dit werkelijk? Is dit goed voor mij? Waar ligt mijn grens? Wat zijn de gevolgen? Welke risico’s vind ik aanvaardbaar? Hoe wil ik andere mensen behandelen? Welke persoon wil ik zelf zijn? Daar bestaat niet noodzakelijk meteen een duidelijk antwoord op. Vrijheid vraagt vaardigheden ‘Je mag nu zelf kiezen’ klinkt eenvoudig. Maar zelfstandig kiezen vraagt vaardigheden. Je eigen grenzen voelen. Nee zeggen. Impulsen kunnen uitstellen. Risico’s afwegen. Een gezonde en ongezonde relatie leren onderscheiden. Ontdekken wat je seksueel wel en niet wilt. Leren omgaan met alcohol. Omgaan met eenzaamheid. Een fout kunnen erkennen zonder jezelf volledig af te schrijven. Een grens stellen terwijl niemand anders hem voor je vastlegt. Iemand kan op zijn veertigste uitstekend functioneren als werknemer, ouder en vriend en tegelijkertijd weinig ervaring hebben met sommige vormen van autonoom leven. Kalenderleeftijd en ervaring zijn niet hetzelfde. Wat als je dat nooit uitgebreid hebt hoeven oefenen? Veel jongeren leren grenzen deels door kleine ervaringen. Een eerste relatie die niet werkt. Een avond waarop ze te veel drinken en denken: ‘Dat doe ik niet meer.’ Een vriendschap waarin ze leren voor zichzelf op te komen. Een ruzie met ouders over thuiskomsttijd. Een verliefdheid die niet verstandig blijkt. Een moment waarop ze ontdekken: ‘Hier had ik eerder nee moeten zeggen.’ Niet iedere ervaring is noodzakelijk of verstandig, maar geleidelijke zelfstandigheid biedt wel oefenruimte. Wanneer iemand binnen een sterk gereguleerd systeem is opgegroeid, kunnen sommige keuzes jarenlang nauwelijks aan de orde zijn geweest. Na vertrek verdwijnen de oude regels misschien snel. Maar tientallen jaren ervaring met alternatieven verschijnen niet tegelijkertijd. Van externe naar zelfgekozen grenzen Daarom is er een belangrijk verschil tussen: ‘Ik doe dit niet omdat het niet mag.’ en: ‘Ik doe dit niet omdat ik zelf heb besloten dat het niet bij mij past.’ Bijvoorbeeld: ‘Ik rook niet omdat Jehovah roken afkeurt.’ kan later worden: ‘Ik rook niet omdat gezondheid en vrijheid van nicotine voor mij belangrijk zijn.’ De uitkomst is hetzelfde. De reden is veranderd. Of: ‘Ik heb geen seks vóór het huwelijk omdat het verboden is.’ wordt bijvoorbeeld: ‘Ik wil seks wanneer er wederzijdse instemming, vertrouwen, veiligheid en emotionele verantwoordelijkheid zijn.’ Dat hoeft niet dezelfde praktische grens op te leveren. Maar het is wel een zelf onderzochte grens . Een grens die je zelf kiest is nog steeds een grens Na jarenlang veel regels te hebben gevolgd kan iedere nieuwe grens aanvankelijk voelen als opnieuw beperkt worden: ‘Ik ben eindelijk vrij. Waarom zou ik mezelf dan weer regels geven?’ Maar een zelfgekozen grens is iets anders dan een opgelegde grens. ‘Ik wil vanavond niet meer dan twee glazen drinken.’ ‘Ik wil niet met iemand naar bed als ik twijfel.’ ‘Ik gebruik geen drugs.’ ‘Ik wil eerst alleen leren zijn voordat ik een nieuwe relatie begin.’ ‘Ik wil niet vreemdgaan, ook al is er niemand die mij daarvoor religieus corrigeert.’ Dat zijn geen tekenen dat iemand opnieuw onder controle staat. Het kan juist autonomie zijn: ‘Niemand verbiedt het mij. Ik kies deze grens zelf.’ Het tegenovergestelde doen is nog niet hetzelfde als vrijheid Er bestaat ook een andere valkuil. Als vroeger gold: ‘Dit mag niet’ kan de eerste reactie na vertrek worden: ‘Dan ga ik het nu juist doen.’ Maar ook dan bepaalt de oude regel nog steeds mede je gedrag. Alleen in de tegenovergestelde richting. Werkelijke autonomie kan eerder zijn: ‘Of het vroeger verboden of toegestaan was is niet meer doorslaggevend. Ik wil zelf onderzoeken of dit bij mij past.’ Je hoeft dus geen tatoeage. Je hoeft niet te roken. Je hoeft niet te drinken. Je hoeft niet met verschillende mensen naar bed. Je hoeft Kerst niet leuk te vinden. Maar je mag ieder onderwerp opnieuw onderzoeken. Psychologische reactantie Hierbij past het psychologische begrip reactantie . Wanneer mensen ervaren dat hun vrijheid sterk wordt beperkt, kan juist een behoefte ontstaan die vrijheid te herstellen: ‘Nu bepaal ík het.’ Onderzoek naar opvoeding en autonomie laat zien dat sterk psychologisch controlerende vormen van opvoeding en frustratie van autonomie samen kunnen hangen met meer verzet of andere problemen. Dat betekent niet: strenge ouders krijgen automatisch ‘wilde kinderen’. De populaire uitspraak ‘strict parents create wild kids’ is daarvoor te absoluut. Ook betekent het niet dat grenzen slecht zijn. Kinderen hebben juist structuur en grenzen nodig. Het verschil zit eerder tussen: grenzen met warmte, uitleg en geleidelijk toenemende autonomie en: controle waarbij weinig ruimte bestaat om zelf te oefenen, vragen te stellen of anders te kiezen. Een religieuze opvoeding is niet automatisch psychologische controle Dat onderscheid is belangrijk. Veel Jehovah’s Getuigen voeden hun kinderen op vanuit liefde en vanuit de oprechte overtuiging dat Bijbelse normen bescherming bieden. Gezinnen verschillen bovendien sterk. Het ene gezin geeft relatief veel ruimte voor persoonlijke ontwikkeling. Het andere is strikter. Daarom kan niet worden gezegd dat iedere religieuze opvoeding ertoe leidt dat iemand later moeite heeft met grenzen. Wel kan een sterk gereguleerde omgeving invloed hebben op hoe en wanneer bepaalde vormen van autonomie worden geoefend . Van ‘mag dit?’ naar ‘past dit bij mij?’ Na een sterk normatief systeem kan de automatische vraag lang zijn: ‘Mag dit?’ Een volgende ontwikkelingsstap kan worden: ‘Past dit bij mijn waarden?’ Dat lijkt een klein verschil, maar het is groot. ‘Mag dit?’ vraagt naar een regel buiten jezelf. ‘Past dit bij mij?’ vraagt om afweging en verantwoordelijkheid. Bijvoorbeeld: Wil ik dit? Wie kan hierdoor schade oplopen? Ben ik eerlijk? Is er wederzijdse instemming? Is het veilig? Kan ik morgen nog achter mijn keuze staan? Vrijheid betekent daardoor niet minder moraal. Ze kan juist méér persoonlijke verantwoordelijkheid vragen. Wat als het oude morele systeem ineens wegvalt? Wanneer iemand jarenlang veel morele vragen via één bron beantwoordde: ‘Jehovah zegt dat dit goed is.’ of: ‘Jehovah zegt dat dit verkeerd is.’ kan geloofsverlies tijdelijk verwarrend zijn. ‘Als ik dat gezag niet meer als absoluut zie, hoe bepaal ik dan wat goed is?’ Dat betekent niet dat iemand geen geweten heeft. Het betekent dat hij zijn morele systeem opnieuw moet ordenen. Veel waarden blijven misschien gewoon bestaan: eerlijkheid, trouw, zorg voor kinderen, respect, niet stelen, verantwoordelijkheid nemen. Maar de reden wordt persoonlijker: ‘Dit is belangrijk omdat ik begrijp welke waarde ik ermee bescherm.’ En dan komt daar een identiteitscrisis bovenop Vertrek raakt niet alleen gedrag. Het kan ook de vraag raken: ‘Wie ben ik eigenlijk?’ Binnen een hechte geloofsgemeenschap bestaat een sterke gedeelde identiteit: wij hebben de waarheid. wij dienen Jehovah. wij zijn broeders en zusters. wij behoren niet tot de wereld. wij weten waar het leven naartoe gaat. Wanneer iemand dat kader verlaat, verdwijnen niet alleen bepaalde regels. Ook het gezamenlijke verhaal over wie iemand is kan veranderen. Dan moeten soms twee processen tegelijkertijd plaatsvinden: ‘Waar liggen mijn grenzen?’ én: ‘Wie ben ik zonder deze groep?’ Van groepsidentiteit naar persoonlijke identiteit Een groepsidentiteit is niet automatisch iets negatiefs. Iedereen ontleent identiteit aan groepen: familie, nationaliteit, werk, cultuur, religie, sport of vrienden. Maar hoe groter het aandeel van één groep in je sociale en morele identiteit, hoe ingrijpender vertrek kan worden. Vroeger was het antwoord vaak: ‘Zo doen wij dat.’ Later wordt: ‘Maar hoe doe ík het?’ Dan ontstaan vragen die eerder misschien nauwelijks persoonlijk hoefden te worden beantwoord: Wat vind ik van relaties? Wat betekent trouw voor mij? Wat wil ik met seksualiteit? Wat is spiritualiteit voor mij? Welke mensen passen bij mij? Wat wil ik met mijn vrije tijd? Welke delen van mijn vroegere identiteit wil ik houden? Wie wil ik zijn als niemand mij vertelt wie ik behoor te zijn? Een fout op je veertigste voelt anders dan een fout op je achttiende Een jongvolwassene die een onhandige eerste relatie heeft, bevindt zich tussen veel leeftijdgenoten die eveneens nog leren. Een veertiger die na tientallen jaren huwelijk en religieuze regels voor het eerst vrij gaat daten kan denken: ‘Waarom weet ik niet hoe dit werkt?’ Maar gebrek aan ervaring op één levensgebied betekent niet dat iemand onvolwassen is. Je kunt zeer volwassen zijn en tegelijk beginner. Dat kan verklaren waarom sommige voormalige leden zeggen: ‘Ik moest dingen leren die anderen twintig jaar eerder al hadden geleerd.’ Niet alleen vrijheid, maar ook verlies Daar komt een andere factor bij. Vertrek uit Jehovah’s Getuigen kan voor sommige mensen gepaard gaan met verlies van: familiecontact, vrienden, gemeenschap, dagelijkse structuur, toekomstbeeld en identiteit. Onderzoek onder voormalige Jehovah’s Getuigen beschrijft onder meer identiteitsverandering, verlies van verbondenheid en rouw om nog levende familieleden. Dat betekent dat nieuw gedrag niet altijd alleen voortkomt uit: ‘Eindelijk mag alles.’ Soms speelt ook: ‘Ik wil niet voelen hoe alleen ik ben.’ ‘Ik wil ergens bij horen.’ ‘Ik wil mezelf opnieuw uitvinden.’ ‘Ik wil even niet nadenken.’ Wanneer experimenteren verdoving wordt Daarom is er verschil tussen: experimenteren en: verdoven. Een festival bezoeken omdat je muziek en vrijheid wilt ervaren is iets anders dan ieder weekend middelen gebruiken omdat stilte ondraaglijk is. Seksualiteit ontdekken is iets anders dan voortdurend seksuele bevestiging zoeken omdat je jezelf waardeloos voelt. Een paar keer te veel drinken is niet hetzelfde als alcohol structureel gebruiken om verdriet te onderdrukken. Wanneer gedrag vooral wordt gebruikt om pijn, schaamte, leegte of eenzaamheid niet te voelen, kan hulp belangrijk worden. Zelfdestructief gedrag Sommige mensen kunnen in zo’n overgangsfase zelfdestructief gedrag ontwikkelen. Dat is niet specifiek voor ex-Jehovah’s Getuigen. Het kan bij veel vormen van verlies, trauma, identiteitsproblemen of ontregeling voorkomen. Zelfdestructief gedrag kan bijvoorbeeld bestaan uit: overmatig middelengebruik, gevaarlijke seksuele situaties, voortdurend ongezonde relaties aangaan, ernstige zelfverwaarlozing of steeds opnieuw keuzes maken waarvan iemand weet dat ze hem beschadigen. Dan is de relevante vraag niet: ‘Bewijst dit dat ik de organisatie nooit had moeten verlaten?’ maar: ‘Wat probeer ik met dit gedrag op te lossen, te voelen of juist niet te voelen?’ Zelfdestructie bewijst niet dat de oude leer waar was Stel dat iemand na vertrek werkelijk in de problemen komt. Drugs. Alcohol. Schulden. Ongezonde relaties. Dan is dat probleem echt en hoeft het niet geromantiseerd te worden als ‘vrijheid’. Maar het bewijst ook niet automatisch: ‘Zie je wel, zonder Jehovah gaat het altijd mis.’ Een individuele levensloop kan worden beïnvloed door vele factoren: verlies, mentale gezondheid, sociale steun, persoonlijkheid, financiële problemen, eerdere ervaringen, middelengebruik en gebrek aan een stabiel netwerk. De vraag waarom iemand ontspoort is belangrijker dan het gebruiken van zijn verhaal als bewijs voor een algemeen wereldbeeld. De verloren zoon Binnen publicaties van Jehovah’s Getuigen wordt de gelijkenis van de verloren zoon gebruikt in verband met mensen die geestelijk zijn afgedwaald of de gemeente hebben verlaten. In publicaties zijn ook levensverhalen beschreven van mensen die buiten de organisatie betrokken raakten bij onder andere drugsgebruik, criminaliteit, alcoholmisbruik of seksuele immoraliteit en later terugkeerden. Vanuit het perspectief van Jehovah’s Getuigen ligt daar een duidelijke boodschap in: Jehovah’s normen beschermen en wat als vrijheid lijkt kan in de praktijk pijnlijke gevolgen hebben. Voor een actieve Jehovah’s Getuige kan zo’n verhaal bevestigen waarom het belangrijk is dicht bij Jehovah en de gemeente te blijven. De wereld als waarschuwing Binnen het onderwijs van Jehovah’s Getuigen wordt ook gewaarschuwd voor schadelijke invloed van ‘de wereld’ en slechte omgang. Een jongere kan leren dat bepaalde aantrekkelijke mogelijkheden buiten de gemeente uiteindelijk geestelijke of morele schade kunnen veroorzaken. Daarom kan zichtbaar risicogedrag van iemand die vertrekt gemakkelijk worden geïnterpreteerd als: ‘Dit is precies waarvoor we gewaarschuwd werden.’ Maar hetzelfde gedrag kan op verschillende manieren worden verklaard Stel: iemand verlaat de gemeente. Een jaar later gaat hij veel uit, rookt, drinkt en heeft verschillende relaties. Een familielid binnen het geloof kan denken: ‘Zie je wel wat de wereld doet.’ De persoon zelf kan later zeggen: ‘Ik moest voor het eerst ontdekken waar mijn eigen grenzen lagen.’ Een psycholoog kan daarnaast vragen: ‘Speelden verlies, autonomie, identiteitsontwikkeling of reactantie mee?’ Het gaat om hetzelfde gedrag. De verklaringen verschillen. Dat betekent niet dat iedere verklaring even goed past bij iedere persoon. Het betekent dat één zichtbaar gedrag niet automatisch maar één oorzaak heeft. Confirmation bias Hier kan ook bevestigingsvooroordeel meespelen. Mensen merken vooral voorbeelden op die passen bij wat ze al verwachten. Wanneer een ex-JG ernstig in de problemen raakt: ‘Zie je wel.’ Een voormalig lid dat rustig een baan houdt, een stabiele relatie opbouwt, nauwelijks drinkt en verantwoordelijk leeft, trekt minder aandacht. Andersom kan een ex-JG juist alleen verhalen willen zien van mensen die na vertrek gelukkiger werden en problemen bij anderen bagatelliseren. Een evenwichtige benadering houdt rekening met beide. JW-publicaties geven ook een breder beeld Het zou onjuist zijn om te zeggen dat Jehovah’s Getuigen ieder vertrek verklaren uit een verlangen naar seks, drugs of een wild leven. In publicaties over inactieven worden ook andere omstandigheden genoemd, zoals ernstige persoonlijke problemen, werkdruk, ontmoediging, gezondheidsproblemen of gekwetst zijn. Daarom is het beeld in de eigen literatuur breder. Tegelijk bestaat de waarschuwing voor de gevaren van ‘de wereld’ en het verloren-zoonmotief wel degelijk naast dat bredere beeld. ‘Strict parents create wild kids’ De uitspraak klinkt aantrekkelijk omdat ze een eenvoudig verband suggereert: hoe strenger de opvoeding, hoe wilder het kind later. Zo eenvoudig is het niet. Veel streng opgevoede kinderen worden helemaal niet ‘wild’. En veel mensen die risicovol leven zijn niet streng opgevoed. Wat onderzoek wel ondersteunt, is dat psychologische controle, weinig autonomie en hardvochtige opvoeding gemiddeld samen kunnen hangen met minder gunstige ontwikkelingsuitkomsten. Dat is iets anders dan zeggen dat regels schadelijk zijn. Grenzen, betrokkenheid en structuur kunnen juist beschermend zijn. De vraag is vooral: leert een kind alleen gehoorzamen, of leert het ook steeds meer begrijpen en zelf reguleren? Van gehoorzaamheid naar zelfregulatie Dat verschil wordt na vertrek zichtbaar. Wanneer iemand vooral heeft geleerd: ‘Ik doe dit niet omdat het verboden is’ kan de reden verdwijnen zodra de externe regel wegvalt. Wanneer iemand daarnaast heeft geleerd: ‘Ik doe dit niet omdat ik begrijp wat deze keuze met mij en anderen kan doen’ blijft de grens mogelijk overeind, zelfs wanneer de religieuze autoriteit verdwijnt. Daarom is zelfregulatie zo belangrijk. Niet alleen weten waar de grens ligt. Maar begrijpen waarom je haar zelf wilt bewaken. Seksualiteit laat dat duidelijk zien De oude regel kan eenvoudig zijn: geen seks vóór het huwelijk. Als die regel niet meer wordt onderschreven, komen daar veel complexere vragen voor terug: Wanneer wil ik seks? Wat betekent instemming? Hoe bescherm ik mezelf tegen soa’s of ongewenste zwangerschap? Hoe belangrijk is emotionele verbondenheid voor mij? Wat doe ik als de ander meer wil dan ik? Wat betekent exclusiviteit? Wanneer voelt iets achteraf goed of juist niet? Een eenvoudige externe grens wordt vervangen door een persoonlijke morele afweging. Dat vraagt oefening. Hetzelfde geldt voor alcohol en drugs De vraag verandert van: ‘Mag het?’ naar: ‘Wat doet dit met mij?’ ‘Waarom gebruik ik dit?’ ‘Kan ik stoppen wanneer ik wil?’ ‘Gebruik ik het voor plezier of om mijn gevoelens te verdoven?’ ‘Welke risico’s accepteer ik niet?’ Een zelfgekozen grens kan uiteindelijk juist steviger worden omdat iemand begrijpt waarom hij haar heeft. Je hoeft je vrijheid niet te bewijzen Een belangrijke boodschap kan daarom zijn: Je hoeft niets wat vroeger verboden was te doen om te bewijzen dat je vrij bent. Vrijheid betekent ook dat je mag zeggen: ‘Ik zou dit mogen doen, maar ik wil het niet.’ Of: ‘Ik heb het geprobeerd en het past niet bij mij.’ Of: ‘Ik dacht dat ik dit wilde omdat het vroeger verboden was, maar eigenlijk geeft het mij niets.’ Dat is geen stap terug naar controle. Dat is informatie over jezelf. Een fout is geen bewijs dat je hele keuze verkeerd was Wie na vertrek een slechte keuze maakt kan gemakkelijk in zwart-witdenken terechtkomen: ‘Zie je wel. Ik kan het leven buiten de organisatie niet aan.’ Of juist: ‘Nu ben ik vrij, dus niemand mag mijn gedrag beoordelen.’ Tussen die uitersten ligt een volwassenere mogelijkheid: ‘Ik heb een keuze gemaakt die niet goed voor mij was. Wat kan ik hiervan leren?’ Iedereen maakt fouten. De vraag is wat je daarna doet. Een nieuw sociaal netwerk is belangrijk Vrijheid en identiteit ontwikkelen zich ook in relatie met anderen. Wanneer iemand vrijwel zijn hele sociale netwerk verliest, kan de eerste nieuwe vriendengroep uitzonderlijk veel invloed krijgen. Daarom kan het helpen niet onmiddellijk één nieuwe groep je hele identiteit te laten bepalen. Werk. Sport. Studie. Vrijwilligerswerk. Hobby’s. Buurtcontact. Lotgenoten. Verschillende sociale werelden bieden verschillende perspectieven en kunnen helpen ontdekken wie je bent buiten één allesomvattende groepsidentiteit. ‘De wereld’ blijkt geen enkel soort mensen te zijn Na vertrek kan ook het beeld van ‘de wereld’ veranderen. Buiten Jehovah’s Getuigen bestaat geen uniforme levensstijl. Sommige mensen drinken veel. Anderen helemaal niet. Sommigen hebben veel wisselende relaties. Anderen leven tientallen jaren monogaam. Sommigen gebruiken drugs. Anderen hebben daar nooit belangstelling voor. Sommige mensen leven egoïstisch. Andere niet-religieuze mensen wijden een groot deel van hun leven aan zorg, vrijwilligerswerk of familie. De keuze is daarom niet: Jehovah’s Getuigen óf een leven zonder grenzen. Er bestaan ontelbaar veel manieren om buiten de organisatie een stabiel en verantwoordelijk leven te leiden. Herstel is meer dan ‘vrij zijn’ Herstel na vertrek kan daarom betekenen: een eigen identiteit opbouwen. Een persoonlijk waardenstelsel ontwikkelen. Leren waar je lichamelijke en emotionele grenzen liggen. Nee leren zeggen. Verantwoordelijkheid nemen zonder externe religieuze controle. Fouten maken zonder jezelf waardeloos te verklaren. Ontdekken dat iets niet bij je past, ook al mag het nu wel. Leren vertrouwen dat je zelf morele beslissingen kunt nemen. Voor actieve Jehovah’s Getuigen Een actieve Jehovah’s Getuige kan terecht wijzen op mensen die na vertrek keuzes hebben gemaakt waar zij later spijt van kregen. Die verhalen bestaan. Vanuit zijn overtuiging kan hij daar de beschermende waarde van Bijbelse normen in herkennen. Dit artikel hoeft die geloofsinterpretatie niet voor hem te beslissen. Het voegt wel andere vragen toe: Kunnen verlies, uitgestelde autonomie, identiteitsontwikkeling en het opnieuw moeten leren stellen van eigen grenzen eveneens een rol spelen? En kan hetzelfde zichtbare gedrag verschillende oorzaken hebben? Voor voormalige Jehovah’s Getuigen Een voormalig lid hoeft aan de andere kant niet ieder gedrag goed te praten omdat het vrijheid heet. Je kunt kritisch zijn op je vroegere systeem en tegelijkertijd kritisch naar jezelf kijken: Drink ik omdat ik dit echt prettig vind of omdat ik iets probeer te verdoven? Wil ik deze relatie werkelijk? Respecteer ik mijn eigen grenzen? Ben ik bezig mijn eigen leven op te bouwen of vooral het tegenovergestelde van vroeger te doen? Welke keuzes passen bij de persoon die ik wil worden? Dat zijn geen Jehovah’s-Getuigenvragen. Dat zijn volwassen menselijke vragen. Wanneer professionele hulp kan helpen Wanneer de overgang gepaard gaat met ernstig middelengebruik, gevaarlijk gedrag, depressie, zelfdestructie, terugkerende ongezonde relaties of het gevoel helemaal niet meer te weten wie je bent, kan professionele hulp zinvol zijn. Een hulpverlener kan helpen bij: identiteit, rouw, impulscontrole, zelfbeeld, grenzen, verslaving, relaties en het opbouwen van een persoonlijk waardensysteem. Daarvoor hoeft de hulpverlener niet te bepalen of het vroegere geloof waar of onwaar was. Het doel kan zijn: ‘Hoe wil jij je leven nu bewust vormgeven?’ Vragen om over na te denken Welke dingen hoefde ik vroeger nauwelijks zelf te beoordelen omdat er al een religieuze regel voor bestond? Welke ervaringen heb ik pas later in mijn leven opgedaan? Zijn er dingen die ik vooral wilde doen omdat ze vroeger verboden waren? Welke daarvan passen werkelijk bij mij? Welke oude grenzen wil ik behouden, maar nu om mijn eigen redenen? Waar ben ik misschien van het ene uiterste naar het andere gegaan? Weet ik alleen dát iets vroeger niet mocht, of begrijp ik inmiddels zelf waarom ik er wel of geen grens aan wil stellen? Gebruik ik alcohol, seks, uitgaan of andere prikkels soms om verdriet of leegte niet te voelen? Kan ik mezelf begrenzen zonder het gevoel te hebben opnieuw gecontroleerd te worden? Welke rol speelt mijn behoefte om eindelijk vrij te zijn? Wie ben ik als ik niet langer alleen denk in ‘wij Jehovah’s Getuigen’ en ‘de wereld’? Welke eigenschappen en waarden wil ik over vijf jaar in mezelf herkennen? Welke fouten kan ik zien als informatie in plaats van bewijs dat ik mislukt ben? Hoe ziet vrijheid eruit wanneer ze niet alleen betekent ‘niemand zegt meer wat ik moet doen’, maar ook ‘ik weet waarom ik mijn eigen keuzes maak’? Samenvatting Sommige voormalige Jehovah’s Getuigen beschrijven na hun vertrek een periode die voelt als een tweede puberteit . Dat is geen officiële psychologische diagnose en zeker geen ervaring van iedere ex-JG. Ook is niet aangetoond dat voormalige Jehovah’s Getuigen als groep meer fouten maken dan mensen die nooit Jehovah’s Getuige zijn geweest. Wel kunnen verschillende psychologische processen helpen begrijpen waarom sommige mensen na een sterk gereguleerd leven tijdelijk veel experimenteren. Ze moeten misschien voor het eerst uitgebreid zelf bepalen waar hun grenzen liggen. Bepaalde onderdelen van identiteitsontwikkeling worden later onderzocht. Oude externe regels verliezen soms sneller hun gezag dan nieuwe persoonlijke waarden kunnen worden opgebouwd. Daar kan psychologische reactantie bij komen. En vertrek kan tegelijkertijd verlies van familie, gemeenschap, zekerheid en identiteit betekenen. Binnen Jehovah’s Getuigen bestaan al lange tijd waarschuwingen voor de gevaren van ‘de wereld’ en publicaties waarin mensen die afdwaalden worden vergeleken met de verloren zoon of na risicovol gedrag terugkeren. Die ervaringen bestaan en kunnen vanuit het geloof als bevestiging van de beschermende werking van Bijbelse normen worden gezien. Maar ze bewijzen niet dat iemand die Jehovah’s Getuigen verlaat noodzakelijk ontspoort. Een andere mogelijkheid is dat sommige mensen na vertrek eerst moeten leren wat anderen geleidelijker hebben kunnen oefenen: zelf hun vrijheid dragen. Niet alleen: ‘Niemand zegt meer dat dit niet mag.’ maar uiteindelijk: ‘Ik weet steeds beter wie ik ben, wat ik belangrijk vind en welke grenzen ik zelf wil bewaken.’ ‘Als niemand mij meer vertelt wat wel en niet mag, kan ik dan leren mijn eigen grenzen te vertrouwen — niet vanuit angst, maar vanuit de persoon die ik zelf wil zijn?’ Bronnen Jehovah’s Getuigen - eigen publicaties JW.org / Watchtower Online Library - Hoe kunt u een ‘verloren zoon’ helpen? - De Wachttoren, 1 oktober 2001 Watchtower Online Library - publicaties over de gelijkenis van de verloren zoon, ‘de wereld’ en slechte omgang JW.org - ‘Ik zal zelf naar mijn schapen zoeken’ - De Wachttoren, studie-uitgave, juni 2020 JW.org / Watchtower Online Library - artikelen over inactieven en mensen die naar de gemeente terugkeren JW.org / Watchtower Online Library - levensverhalen van personen die na een periode buiten de gemeente terugkeerden Psychologie en ontwikkeling Edward L. Deci & Richard M. Ryan - Self-Determination Theory; autonomie, zelfregulatie en internalisering Van Petegem, Soenens, Vansteenkiste & Beyers - onderzoek naar reactantie en opstandig gedrag bij adolescenten Martin Pinquart - meta-analytisch onderzoek naar opvoedingsstijlen en internaliserend en externaliserend gedrag Henri Tajfel & John Turner - Social Identity Theory Onderzoek naar religieuze identiteitsontwikkeling en exploratie bij jongvolwassenen uit sterk religieuze omgevingen Ransom, Monk en collega’s - onderzoek naar identiteitsverandering, sociaal verlies en herstel bij voormalige Jehovah’s Getuigen Zie ook in A-Z Begrippenlijst Psychologie G - Groepsidentiteit - Hoe kan lidmaatschap van een groep onderdeel worden van wie je bent? G - Geweten - Hoe ontstaat je innerlijke gevoel voor goed en fout, en van wie zijn de normen daarin? I - Internalisering - Hoe worden regels en overtuigingen van buitenaf onderdeel van je eigen innerlijke stem? P - Psychologische reactantie - Waarom kan beperking van vrijheid juist de behoefte oproepen iets wél te doen? S - Sociale invloed - Hoe beïnvloeden anderen onze keuzes zonder dat er directe dwang hoeft te zijn? S - Socialisatie - Hoe leren we vanaf jonge leeftijd welke normen binnen onze omgeving gelden? Lees ook op ExJW.World G - Geloofsopvoeding - Hoe worden geloof en normen vanaf jonge leeftijd onderdeel van de ontwikkeling? V - Vrije wil - Hoe vrij is een keuze wanneer overtuiging, sociale gevolgen en geweten allemaal meespelen? W - Werelds - Wat doet de tegenstelling tussen ‘de waarheid’ en ‘de wereld’ met hoe mensen en keuzes worden beoordeeld? Herstel - Sociale opbouw na de gemeente - Hoe bouw je na vertrek opnieuw een netwerk, identiteit en dagelijks leven op?